| 23589 |
marialied |
marialiedje:
marialeedje (L426z Holtum, ...
L426z Holtum)
|
Een Marialied. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23746 |
mariascapulier |
scapulier van de moeder gods:
sjabbeleer van de mooder goads (L426z Holtum)
|
Een Maria-scapulier (Marias livrei?). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 22739 |
marmeren beeld |
beeld:
e marmere beeəlt (L426z Holtum),
marmere beeldj (L426z Holtum),
ə marmerə beeəlt (L426z Holtum)
|
Marmeren beeld. [N 06 (1960)]
III-3-2
|
| 20469 |
masturberen |
(-) aftrekken:
zich eine aaftrekke (L426z Holtum),
zich een aftrekken:
zich eine aaftrekke (L426z Holtum)
|
onanie plegen, zichzelf bevlekken [zn eige aftrekke, afspelen] [N 10c (1961)], [N 10C (zj)]
III-2-2
|
| 33044 |
mathaak |
pikhaak:
pekhǭk (L426z Holtum)
|
Doorgaans licht gebogen ijzeren tand aan een houten steel, die bij het maaien met de zicht gebruikt wordt om het graan bij het eigenlijke inkappen op te tillen en om het afgeslagen graan bij elkaar te trekken. In de volgende plaatsen geen specifieke benaming bekend: L 316, 317, 355, 356, 358, 363, 365, 366, 368, 413. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). Vergelijk ook de betekeniskaart 30 bij het lemma ''zicht'' (4.3.1) voor de geografische uitbreiding van pik in de betekenis "zicht" naast die van pik in de betekenis "mathaak". Zie afbeelding 5. [N 18, 72 en 73; JG 1a, 1b, 2c; A 14, 10; L 45, 10; R 3, 66; Gwn 7, 5; monogr.; add. uit N 11, 88; N 15, 16c en 16g; A 4, 28; A 23, 16.2; L 20, 28; Lu 1, 16.2]
I-4
|
| 18129 |
mazelen |
mazelen:
maazələ (L426z Holtum)
|
Hoe noemt men de besmettelijke kinderziekte waarbij de huid vele kleine rode vlekjes vertoont (Nederl. mazelen)? [DC 25 (1954)]
III-1-2
|
| 23744 |
medaillon met lam gods |
medaillon (<fr.):
medaljong (L426z Holtum)
|
Een hartvormig medaillon van was, waarop een lam met kruisvaan is afgebeeld. Dit medaillon werd gedragen [Agnus Dei, Lam Gods?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23682 |
meditatie |
meditatie (<fr.):
meditasie (L426z Holtum),
meditatie (L426z Holtum)
|
Een meditatie, geestelijke overweging. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 26517 |
meelbak |
treugel:
trø̄̄gǝl (L426z Holtum)
|
De houten bak onderaan de meelpijp waaraan de te vullen meelzak wordt bevestigd. Zie ook afb. 83 en 84. Het woorddeel ømeelŋ- is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 24c; A 42A, 41; Sche 56; Vds 164; Jan 168; Coe 153; Grof 182; N D, 23; monogr.; A 42A, 40; N O, 24a; N D, 33]
II-3
|
| 33150 |
meelschepje |
schupper:
šø̜pǝr (L426z Holtum)
|
Een houten vat voorzien van een steel dat diende om droog meel te scheppen. Vergelijk de lemma''s ''graanschop, schepschop'' (6.3.13) en ''graanschep'' (6.3.15). [N 18, 9b]
I-4
|