| 23639 |
offergang |
offergang:
offergank (L426z Holtum)
|
De offergang, rondgang van de gelovigen rond het offerblok [offergank?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23409 |
offergeld |
offergeld:
offergeljt (L426z Holtum)
|
Het geld dat men in het offerblok stopt [offergeld?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23227 |
oksaal |
oksaal:
eksoal (L426z Holtum),
ekzoal (L426z Holtum)
|
Het oksaal, de galerij boven het kerkportaal, waar het orgel staat en het zangkoor zingt [oksaal oksaol, koor, zangerskoor, zangzolder?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 20701 |
oliebol |
nonnenvot:
Syst. WBD Een nonnevot zou men kunnen noemen een oliestrikje.
nonnevot (L426z Holtum),
oliebol:
Syst. WBD
aoliebol (L426z Holtum)
|
Oliebol (nonnevot?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33745 |
omheinen |
afmaken:
āfmākǝ (L426z Holtum),
tuinen:
tȳnǝ (L426z Holtum)
|
Iets omgeven met een omheining, meest van toepassing op een weiland. [N 14, 63; L 32, 45; A 25, 9; Gwn 16, 11; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 19711 |
omheining |
tuin:
tūn (L426z Holtum)
|
De omheining in het algemeen. [N 14, 62; N 14, 67; S 11, 13; L 19B, 5a; A 25, 5; RND 8, 20; Gwn 16, 11; monogr.]
I-8
|
| 23479 |
omheining van het kerkhof |
kerkenmuur:
kirkemoer (L426z Holtum, ...
L426z Holtum)
|
De muur, de omheining van het kerkhof [toen, toun, tuun?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 18188 |
omslagdoek (alg.) |
kopplag:
kopplak (L426z Holtum)
|
schouderdoek, wollen ~ of omslagdoek, soms ook wel over het hoofd gedragen [neus-, nuisdook, nuizek, nuzzing, plak, plaggen, sjelon, falie] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 21441 |
onbetrouwbare koopman |
kramer:
kréəmər (L426z Holtum),
sjachelaartje:
sjachəlaerkə (L426z Holtum)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: scheldwoorden of misprijzende woorden kent uw dialect voor een weinig koopkrachtig en onbetrouwbaar koopman [kremmer, toesser, ruilebuiter, voorsnijer?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 33947 |
onderhaam |
onderhaam:
oŋǝrhām (L426z Holtum)
|
Twee met elkaar verbonden kussens die het paard onder het haam draagt, als dat te groot is. [N 13, 11; monogr.]
I-10
|