| 24964 |
vloed, hoogtij |
hoogwater:
hoag wáátər (L325p Horn),
(naslag-a).
hôêgwààtər (L325p Horn),
wassen:
wassə (L325p Horn)
|
vloed, wassen van het water van de zee en de toestand van hoog water [bovenwater, hoog tij] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 21395 |
vloeken |
vloeken:
vlooken (L325p Horn)
|
vloeken [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 27185 |
vloer |
vloer:
vlūr (L325p Horn)
|
Zie voor het woordtype 'beleg' ook RhWb V, k. 301, s.v. 'Beleg': ø̄Fussboden aus Steinbelagø̄. Volgens Jongeneel (Heerlens Woordenboek, pag. 19) maakten de boeren uit de omgeving van Heerlen steenharde, waterdichte vloeren van zand, kalk of cement en kolensintels. [S 41; N 54, 128; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 17937 |
vlug lopen |
rennen:
renne (L325p Horn)
|
lopen: snel lopen [rekke, dabbere, op ne steile gaon] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 34016 |
vlugger |
allez-hop:
alē hǫp (L325p Horn)
|
Voermansroep om het paard sneller te doen gaan. [N 8, 95g]
I-10
|
| 33874 |
vochtafscheiding uit de tepels als teken van zwangerschap |
(ze heeft) was aan de demen:
was ān ǝ dēmǝ (L325p Horn)
|
Er zijn diverse uitdrukkingen ter aanduiding van de komende geboorte van het veulen. De eerste tekenen die op een naderende geboorte wijzen, zijn de volgende: de merrie wordt onrustig en drentelt door haar stal, terwijl ze regelmatig tekenen van krampen en pijn (weeën) vertoont. De hars die zich aan de spenen heeft gevormd, druipt er nu af en de banden zijn los, d.w.z. de spieren aan beide zijden van de staartwortel zijn slap. [N 8, 51]
I-9
|
| 18217 |
vod |
pongel:
WNT: pongel, 3. vod, lomp, en vervolgens iets dat geen waarde heeft.
pongel (L325p Horn),
pongele (L325p Horn),
voddel:
voddel (L325p Horn),
voddele (L325p Horn)
|
vod [SGV (1914)] || vodden [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 21396 |
voddenkoopman |
voddelenkoopman:
voddelekoupman (L325p Horn)
|
voddenkoopman [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 33412 |
voederbak voor de kippen |
voerbak:
vōrbak (L325p Horn)
|
De vaak gootvormige bak in het kippenhok waar men het kippenvoer indoet. [A 48, 16d]
I-6
|
| 33229 |
voederbieten |
kroten:
krǫtǝ (L325p Horn),
voerkroten:
vōrkrǫtǝ (L325p Horn)
|
Beta vulgaris L. subsp. vulgaris. De algemene benaming van de bieten die gekweekt worden om als veevoeder te worden gebruikt. De voederbiet groeit grotendeels boven de grond, in tegenstelling tot de suikerbiet waarvan alleen de bladerkruin boven de grond uitkomt. De plant gedijt het best op losse vochthoudende zandgrond en verdraagt zware stalmest- of gierbemesting. Het is vanouds een in Limburg veel verbouwd veevoeder dat in het eigen gemengde bedrijf werd benut. Voor de fonetische documentatie van het tweede woorddeel in de samenstellingen zoals voederbieten, waarvan dat tweede element ook als enkelvoudig woord in het lemma voorkomt, zie onder dat enkelvoudig woord, i.c. bieten. In de vragenlijsten is steeds naar de meervoudsvorm gevraagd. [N 12, 38; N 12A, 1; JG 1a, 1b, 1d, 2b, 2c; A 13, 2b; L 43, 4b; monogr.]
I-5
|