| 24352 |
mier |
brag:
groote mier
brax (L414p Houthalen),
mierzeik:
mirzēkə (L414p Houthalen)
|
mier [ZND B2 (1940sq)]
III-4-2
|
| 33555 |
mierikswortel |
mierikswortel:
mìerikswortel (L414p Houthalen)
|
De vlezige scherpe wortel van de mierik, mierikswortel (mierikswortel, peperwortel, meerradijs, kiek, tiek). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 33094 |
mijt afdekken |
dekken:
dękǝ (L414p Houthalen)
|
De korenmijt van een dak voorzien. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Bij besteken merkt Goossens in zijn materiaal op: "meer speciaal de grote band om de kop". [N 15, 45a; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
I-4
|
| 28569 |
mijtziekte |
krabbelziekte:
krabbelziekte (L414p Houthalen),
mijtziekte:
mijtziekte (L414p Houthalen)
|
Acariose. Ziekte in de luchtwegen, veroorzaakt door de Acarismijt. Deze mijt dringt de luchtwegen van de bij binnen en voedt zich met lichaamssappen. De afscheidingsprodukten van de mijten vergiftigen langzaam de getroffen bij. Door snelle vermenigvuldiging van de mijten verstoppen de luchtbuizen, zodat de bij sterft. Bij sterke aantasting kunnen gehele kolonies bijen aan deze ziekte ten onder gaan. Chemische medicamenten kunnen ter bestrijding toegediend worden. Tot voor kort werd deze ziekte bestreden door het doden van bijenvolken en vervoersverboden door de overheid. [N 63, 71b; N 63, 71a; monogr.]
II-6
|
| 21745 |
mikken |
mikken:
mekkə (L414p Houthalen),
mikən (L414p Houthalen),
ps. omgespeld volgens Frings!
mekə (L414p Houthalen)
|
lonken (mikken) [RND] || Op iemand mikken (om met een boog of geweer te schieten). [ZND 38 (1942)] || scherp kijken naar en richten op het doel dat men wil raken met een vuurwapen [mikken, mieren, aanleggen] [N 90 (1982)]
III-3-1, III-3-2
|
| 25320 |
millimeter, maat, 1000ste deel van een meter |
millimeter:
millimeter (L414p Houthalen),
miləmieͅtər (L414p Houthalen)
|
het duizendste deel van een meter [millimeter, streep] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 20406 |
minderjarig |
minderjarig:
znd 31, 23a
mīēnderjaorig (L414p Houthalen),
nog onder de vauweren staan:
znd 31, 23a cf. Schuermans s.v. "fouere, vauere, vauere"een hek dat tot barreel dient in Lb.
hij stiet nog onner de fouren (L414p Houthalen)
|
minderjarig [ZND 31 (1939)]
III-2-2
|
| 20460 |
minnaar |
bijzit:
bijzit (L414p Houthalen)
|
minnaar; iemand met wie een vrouw leeft zonder dat ze met elkaar getrouwd zijn [minnaar] [N 115 (2003)]
III-2-2
|
| 20459 |
minnares |
bijzit:
bijzit (L414p Houthalen)
|
een concubine, bijzit, bijwijf [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 23917 |
mirakel |
wonder:
wonner (L414p Houthalen)
|
Een wonder [wó.nder, wónger, miraakel]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|