| 18947 |
ondeugend, stout |
stout:
sto͂ͅt (L414p Houthalen)
|
stout [ZND A2 (1940sq)]
III-1-4
|
| 32696 |
ondiep |
schou(de):
sxā (L414p Houthalen),
sxār (L414p Houthalen)
|
De in dit lemma genoemde termen voor ondiep (kunnen) worden gebruikt in verbinding met een werkwoord voor "ploegen". Vaak kent men voor het verrichten van ondiep ploegwerk een speciale term. Zie daarvoor het volgende lemma. [JG 1a + 1b + 1c; N 11, 39 + 42a + 43 + 44 + 45 + 47; N 11A, 107b + 110a + b; N P, 12; A 20, 1c; Lu 1, 1c; A 23, 1c; A 27, 24b; Lu 5, 24b; monogr.]
I-1
|
| 32697 |
ondiep ploegen |
schou omdoen:
[schou omdoen] (L414p Houthalen)
|
De termen die in dit lemma zijn opgenomen, hebben met elkaar gemeen dat zij toepasselijk zijn op de een of andere manier van ondiep ploegen, waarbij de grond minder diep wordt losgesneden en ook veel minder wordt omgekeerd dan bij het ploegen van de zaaivoor het geval is. Men beploegt het land met een ondiepe en vaak ook brede voor a) als het de bewerking van een stoppelveld betreft (vergelijk het betrokken lemma); b) als in het late najaar een akker op de wintervoor gelegd moet worden (zie dat lemma), waarbij men mest oppervlakkig kan onderploegen (zie het betreffende lemma); c) bij de bewerking van braakland of van een hardliggende, met onkruid begroeide akker; d) als bij het scheuren van een weide eerst de grasmat wordt afgeploegd (vergelijk het lemma een weide scheuren). Voor deze manier van ploegen gebruikte men vroeger een eenscharige (voet)ploeg zonder voorschaar en vaak ook zonder kouter, later vooral een meerscharige ploeg met kleine scharen. Het land kon ook met de cultivator ondiep bewerkt worden. Voor de varianten die hieronder (geheel of deels) in de (...)-vorm zijn vermeld, zie men de lemmata ondiep en ploegen. [JG 1b; N 11, 45 + 47; N 11A, 108b + 109a; N P, 12 add.; A 20, 1b add.; monogr.]
I-1
|
| 32699 |
ondiepe voor, ondiep geploegd land |
scholp:
sxǫlǝp (L414p Houthalen)
|
In dit lemma zijn de benamingen opgenomen voor a) de ondiepe voor in het algemeen; b) de voor die ontstaat bij de een of andere manier van ondiep ploegen; c) de akker die in zodanige voren geploegd ligt. Van een indeling in groepen moest worden afgezien, omdat van sommige woordtypen niet alleen de meervouds-, maar ook de enkelvoudsvorm bruikbaar is voor de ondiepe voren waarmee men de akker beploegt, en bijgevolg voor de aldus bewerkte akker zelf. De termen zijn voornamelijk gerangschikt naar het grondwoord voor "ondiep geploegd" resp. "ondiepe voor". Voor het (...)-gedeelte van varianten zie men het lemma ploegvoor. [N P, 12; N 11A, 109c + d; add.: JG 1b; N 11, 59; A 20, 1b; monogr.]
I-1
|
| 25064 |
oneven, niet door twee deelbaar |
oneven:
oͅnieͅvə (L414p Houthalen),
onpaar:
onpaar (L414p Houthalen)
|
niet door twee deelbaar, gezegd van een aantal [on, oneven, onk, omp] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 24360 |
ongedierte, algemeen |
maden:
maaien (L414p Houthalen),
ongedierte:
ongedeerte (L414p Houthalen),
ongesiefert:
ongesifert (L414p Houthalen),
schadelijke, het:
sxalək (L414p Houthalen)
|
ongedierte [ZND 40 (1942)] || schadelijke en hinderlijke insecten [DC 55 (1980)]
III-4-2
|
| 20382 |
ongehuwd samenleven |
bijeen wonen:
zoemer bien woone (L414p Houthalen),
bijeen zitten:
biënzitte (L414p Houthalen)
|
een concubinaat, een buitenechtelijke samenleving van man en vrouw, gedurende enige tijd [N 96D (1989)] || samenleven van man en vrouw zonder dat ze met elkaar getrouwd zijn [meuken, jennen] [N 115 (2003)]
III-2-2
|
| 29105 |
ongelijke zoom |
schele zoom:
sxīlǝ zūm (L414p Houthalen)
|
Zoom die ongelijk hangt. [N 62, 77]
II-7
|
| 23246 |
ongelovige |
ongelovige:
ongelūvige (L414p Houthalen)
|
Een ongelovige, de ongelovigen. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 18130 |
ongeluk |
malheur (fr.):
maleur (L414p Houthalen)
|
Ongeluk: door een misgreep, door vallen gekwetst worden (ongeluk, ongeval, accident, malheur, paret). [N 107 (2001)]
III-1-2
|