| 28431 |
opspijlen |
speten:
spētǝn (L414p Houthalen)
|
De korf van spijlen voorzien. Zie ook het lemma Verstevigingsspijlen. [N 63, 7a]
II-6
|
| 34020 |
opstaan |
allez-hop:
alē hǫp (L414p Houthalen)
|
Voermansroep om het paard op te doen staan. [N 8, 95j]
I-10
|
| 33152 |
opstapelen van graanzakken |
ophopen:
ǫphypǝ (L414p Houthalen)
|
Zakken met graan op een hoop zetten. [L 27, 24]
I-4
|
| 32936 |
opsteker |
opsteker:
ǫpsti.ǝkǝr (L414p Houthalen),
ǫpstikǝr (L414p Houthalen)
|
Degene die de schoven met de gaffel,opsteekt naar de tasser op de wagen. Vergelijk de toelichting bij het lemma ''opsteken'' (5.1.3) en het lemma ''opsteker'' (5.1.6) in aflevering I.3, van hooi op de oogstkar. [N 15, 40; monogr.; add. uit JG 1a, 1b] || Degene die het hooi met de oogstgaffel opsteekt naar de optasser op de wagen. [N 14, 121a; A 34, 3a]
I-3, I-4
|
| 32939 |
optasser |
lader:
lāi̯ǝr (L414p Houthalen)
|
Degene die, staande op de kar, het hooi van de opsteker aanneemt en het er opstapelt. [N 14, 121b; A 34, 3b]
I-3
|
| 33730 |
optilbaar hek |
barrier:
brīr (L414p Houthalen)
|
Het niet draaiend maar uitneembaar hek aan de ingang van een wei. [N 14, 68b; A 25, 5e; monogr.]
I-8
|
| 17900 |
optillen |
heffen:
høͅfən (L414p Houthalen),
omhoog heffen:
omhoog huffen (L414p Houthalen),
opheffen:
it oͅbhəfə (L414p Houthalen),
ophŭffen (L414p Houthalen),
ophəffen (L414p Houthalen),
òphøfə (L414p Houthalen)
|
dat kan ik opheffen [ZND 26 (1937)] || iets opheffen (tillen) [ZND B2 (1940sq)] || opheffen, tillen [ZND A1 (1940sq)] || optillen [RND]
III-1-2
|
| 28579 |
optissen |
ruisen:
rǭ.sǝ (L414p Houthalen)
|
Het maken van geluid door de bijen als men de korf of kast opent. [N 63, 72]
II-6
|
| 29979 |
optoppen, oplangen |
hoger maken:
hūgǝr mǭkǝ (L414p Houthalen)
|
De steiger verhogen door de staanders met behulp van palen, de zgn. 'optoppers', te verlengen. De optoppers worden door middel van touwen aan de staanders gebonden en ze rusten op een op de staander gespijkerde, houten klos. [N 32, 5a; monogr.]
II-9
|
| 34000 |
optuigen |
aandoen:
āndūn (L414p Houthalen)
|
Een trekpaard van het nodige trektuig voorzien. Men zet het hoofdstel op het hoofd van het paard, plaatst het haam om zijn nek, legt het schoftzadel op zijn rug en doet het achterhaam aan. Tenslotte gespt men de verschillende delen aan elkaar. [JG 1b; N 8, 97a; monogr.]
I-10
|