| 28760 |
fluweel, velours |
velours:
flūr (P219p Jeuk)
|
Weefsel met een bovenkant met rechtopstaande garenuiteinden, ontstaan door een bijzondere afwerking. De binding bestaat uit een grondweefsel, in effen of keper, waartussen draden, die over grotere afstanden los liggen. Door deze door te snijden en op te borstelen ontstaat een pluche-achtig haardek: pool. Door zacht ruwen wordt het ø̄pluizenø̄ bevorderd, waarna de pool op een bepaalde lengte wordt afgeschoren (Bonthond s.v. ø̄fluweelø̄. [N 62, 78; N 62, 75f; 59, 201; MW; L 1a-m; L 23, 57a; S 9; monogr.]
II-7
|
| 18289 |
fluwelen broek |
velours (fr.) broek:
floere broek (P219p Jeuk)
|
een fluwelen broek [ZND 23 (1937)]
III-1-3
|
| 34307 |
fokbeer |
fokbeer:
fǫkbii̯r (P219p Jeuk)
|
Mannelijk varken waarmee men fokt. [N 76, 9; N 19, 7; monogr.]
I-12
|
| 33755 |
fokmerrie |
kweekmerre:
kwikmęrǝ (P219p Jeuk),
veulensmerre:
vø̜i̯lǝsmęrǝ (P219p Jeuk)
|
Een merrie geschikt voor de kweek of die één of meer veulens gehad heeft. Een kweekmeer werkt niet (Q 168), terwijl een veulensmeer ook in de kar loopt (Q 77). In tegenstelling tot een veulensmeer is een kweekmeer gewoonlijk drachtig. Kleinere boeren zorgen ervoor een veulensmeer te hebben, die jaarlijks een veulen werpt, waardoor elk jaar een aanspanner ter beschikking staat. [JG 1a, 1b; N 8, 50b]
I-9
|
| 34312 |
fokzeug |
kurrenzog:
kørǝzox (P219p Jeuk)
|
Zeug die men houdt om biggen te winnen. [JG 1a, 1b; N M, 22 add.; monogr.]
I-12
|
| 25025 |
fonkelen, flonkeren |
fonkelen:
fonkelen (P219p Jeuk)
|
levendig, maar niet onrustig stralen of glanzen, warm schitteren [sprietelen, fonkelen, flonkeren] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 21559 |
fooi |
drinkgeld:
drenkgeld (P219p Jeuk),
pree (<fr.):
pree (P219p Jeuk)
|
de gift in geld aan iemand die een dienst verleend heeft (vanwege zijn beroep) [fooi, pree, drinkgeld] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 21556 |
fortuin maken |
fortuin maken:
Hee-e zal fortuun maake (P219p Jeuk)
|
Fortuin. [ZND 35 (1941)]
III-3-1
|
| 24084 |
franciscaan |
monnebroeder:
Mannelijk
nonnebruur (P219p Jeuk)
|
Een Franciscaan of Minderbroeder [bruine pater, de Broune, Minnebroor, broene paater]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 18784 |
franje |
flochetje (<fr.):
floch-kes (P219p Jeuk),
flosje:
(mv)
floškǝs (P219p Jeuk),
frongeltje:
(mv)
frøŋǝlkǝs (P219p Jeuk),
fronjel:
frəngels (P219p Jeuk),
fronjeltje:
frəngəlkes (P219p Jeuk)
|
Franje. Een randversiering bestaande uit een boordsel met een reeks afhangende draden, meestal in bundels of kwasten bijeen-gehouden [franje, franjel, fraling] [N 114 (2002)] || Hoe noemt U een randversiering bestaande uit een boordsel met een reeks afhangende draden, meestal in bundels of kwasten bijeengehouden (franje?)? [N 62 (1973)] || Randversiering bestaande uit een boordsel met een reeks afhangende draden, meestal in bundels of kwasten bijeengehouden. [N 62, 59; MW; S 9; monogr.]
II-7, III-1-3
|