| 17991 |
pijn |
pijn:
pɛ:n (P219p Jeuk)
|
pijn [RND]
III-1-2
|
| 17992 |
pijnscheut |
kramp:
kramp (P219p Jeuk),
scheut:
skeut (P219p Jeuk),
steek:
steeik (P219p Jeuk),
steeke (P219p Jeuk)
|
Sterke kriebeling of trekking door pijn veroorzaken (morren). [N 84 (1981)] || Sterke kriebeling of trekking door pijn veroorzaken (morren, scheut, steek, kramp). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 17794 |
pijpenkrul |
papillote (fr.):
papijot (P219p Jeuk),
papiljot (P219p Jeuk)
|
Pijpenkrul. Spiraalvormige haarkrul [pijpenkrul, pijpenlok, papillote] [N 114 (2002)] || spiraalvormige haarkrul [pijpekrul, papillot, paviljot] [N 86 (1981)]
III-1-1
|
| 20876 |
pijpensteel |
staart van de pijp:
stat van de pijp (P219p Jeuk)
|
Pijpensteel. Het dunne buisvormige deel van een pijp. [ZND 41 (1943)]
III-2-3
|
| 31664 |
pijpsnijder |
loodtang:
lōttaŋ (P219p Jeuk)
|
In het algemeen een werktuig voor het afsnijden van metalen pijpen. Vaak bestaat het uit een vast snijwieltje van gehard staal of hard metaal en een verstelbare geleiding, bestaande uit twee of meer rollen. Zie ook afb. 251. Om een pijp met behulp van dit werktuig door te snijden wordt zij in de bek van de snijder geplaatst, waarna de geleiderollen tegen de pijp worden vastgedraaid. Vervolgens wordt het hele werktuig rond de pijp gedraaid waarbij de geleiderollen steeds strakker worden aangedraaid en het snijwieltje dus steeds dieper in het metaal snijdt. [N 33, 175; N 64, 7-8; N 33, 322, add.]
II-11
|
| 31335 |
pijptang |
buistang:
bø̜̄jstaŋ (P219p Jeuk),
gassleuter:
gāssløtǝr (P219p Jeuk)
|
tǝr P 219; %%de volgende opgaven zijn benamingen voor een kettingtang%% kettingtang: kęte [N 33, 176; N 33, 179; N 33, 181; N 64, 43a-b; N 64, 44; monogr.]
II-11
|
| 33055 |
pikbinder |
zichtmachine:
zex[machine] (P219p Jeuk)
|
Machine die niet alleen maait, maar het koren ook tot schoven samenbindt. Zie afbeelding 6. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [machine] zie het lemma ''maaimachine'' (3.2.18) in aflevering I.3. Kaart 36 is een woordkaart gebaseerd op het materiaal uit dit lemma; kaart 37 is een betekeniskaart, gebaseerd op het materiaal uit dit lemma èn het lemma ''graanmaaimachine'' (4.5.2) en toont waar men met de termen zicht- en pikmachine ofwel de enkelvoudige maaimachine ofwel de combinatiemachine, pikbinder, aanduidt.' [N J, 4a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 23376 |
pilaar |
pilaar:
pilèère (P219p Jeuk)
|
Een pilaar, de pilaren [pielder(s), pilèèr(e)?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 28787 |
pilo |
pilo:
pilu (P219p Jeuk)
|
Soort van gladde stof met een linnen schering en een katoenen inslag, vooral gebruikt voor werkkleding. [N 62, 93a]
II-7
|
| 24225 |
pimpelmees |
blauwe keesmus:
blauwkeesmeus (P219p Jeuk),
keesmus:
keejesməsch (P219p Jeuk)
|
pimpelmees [ZND 43 (1943)]
III-4-1
|