| 17587 |
ringbaard |
ringbaard:
PLAATS: de informant geeft als kerkdorp Jeuk/Hasselbroek op.
rengbouwd (P219p Jeuk)
|
Ringbaard: korte baard die als ring om het gezicht loopt [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 29911 |
ringen |
trompen:
trompen (P219p Jeuk),
trompǝ (P219p Jeuk)
|
Het varken een ring in de neus zetten om het het wroeten te beletten. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; N 70, 9; N 19, 26; N 19, 26, Q 98 add.; monogr.]
I-12
|
| 31534 |
ringsleutel |
pijpsleuter:
pęjpsløtǝr (P219p Jeuk),
ringsleuter:
ręŋksløtǝr (P219p Jeuk)
|
Niet verstelbare, stalen sleutel waarvan de gesloten bek in zijn geheel om de aan te draaien moer heen past. De binnenkant van de ringvormige bek van deze sleutel is zes- of twaalfkantig uitgevoerd. Zie ook afb. 198. [N 33, 300g; monogr.]
II-11
|
| 34371 |
ringtang |
tromptang:
tromptaŋ (P219p Jeuk)
|
Tang waarmee men het varken een ring in de neus zet. [N 76, 47]
I-12
|
| 17669 |
ringvinger |
ringvinger:
renkvinger (P219p Jeuk),
PLAATS: de informant geeft als kerkdorp Jeuk/Hasselbroek op.
rengvinger (P219p Jeuk)
|
Ringvinger: de vierde vinger waaraan men gewoonlijk een ring draagt (ringvinger, goudvinger,vingerling, iedekje, pillepoort). [N 84 (1981)] || Ringvinger: de vierde vinger waaraan men gewoonlijk een ring draagt (ringvinger, goudvinger,vingerling, pillepoort). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 18103 |
ringworm |
rad van sint-catharina:
rauwd van Sinte-Katrin (P219p Jeuk),
rawd van Sinte Katrien (P219p Jeuk)
|
Huidziekte in de vorm van een wiel (omloop, Sinte-Katrien, springend vuur, ringelworm). [N 84 (1981)] || Huidziekte in de vorm van een wiel (omloop, Sinte-Katrien, wiel/rad, ring(el)worm). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 23645 |
rinkelen met de altaarbel |
bellen:
bellen (P219p Jeuk)
|
Met deze bel rinkelen, bellen, schellen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20792 |
rins |
rinzig:
renzig (P219p Jeuk),
zuur en zoet:
zuur en zoet (P219p Jeuk)
|
Een rinse smaak (zuurzoet, gelijk sommige suikerbonbons). [ZND 41 (1943)] || lichtelijk zuur smakend (rins, zurig) [N 91 (1982)]
III-2-3
|
| 21214 |
riool |
rigole (fr.):
rigolen (P219p Jeuk),
riolering:
riolering (P219p Jeuk)
|
het stelsel van buizen en kanalen voor het afvoeren v an vuil water [riool, geul, grip] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 28794 |
rips |
rips:
rɛps (P219p Jeuk)
|
Dichtgeweven, geribde stof, oorspronkelijk van katoen maar later ook van andere stof. [N 62, 79b; MW; monogr.]
II-7
|