| 29826 |
halve steen |
kop:
kǫp (L316p Kaulille)
|
Een in de breedterichting doormidden geslagen metselsteen of een baksteen van dit formaat die machinaal is vervaardigd. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛdrieklezoorɛ.' [N 31, 19a; monogr.]
II-8
|
| 21606 |
halve-centstuk |
halve cent:
ps. omgespeld volgens Frings.
haləvə seͅnt (L316p Kaulille)
|
halve-centstuk, een ~ [senske?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 20820 |
ham, hesp |
hesp:
heͅsp (L316p Kaulille),
verzamelfiche ook mat. van ZND 01 (a-m) (a+b)
hesp (L316p Kaulille)
|
ham [Goossens 1b (1960)] || hesp [ZND 24 (1937)]
III-2-3
|
| 29935 |
handbeschermer |
steenlap:
stīnlap (L316p Kaulille
[(meervoud: stīnlɛp)]
),
vingerlapje:
veŋǝrlɛpkǝ (L316p Kaulille)
|
Rubber of leren kapje dat men aan de handen schuift om vingers en handpalm te beschermen bij het dragen van stenen. De woordtypen 'handschoe' en 'want' duiden waarschijnlijk een handschoenachtige bescherming aan die de hele hand bedekt. Zie ook het lemma 'handbeschermers' in het Woordenboek van de Limburgse Dialecten II.8, pag. 59. Over de term handlap merkt Van Houcke (pag. 133) op: ...Is een klein stuk leder met eene of meer dubbele kerven. De kerven vormen als 't ware ringen, waarin de metselaar de vingeren steekt om de hand tegen het slijten door den steen, en voornamelijk door natgemaakten steen, veroorzaakt, te vrijwaren.ø̄ [N 30, 6a; N 30, 6b; monogr.]
II-9
|
| 22784 |
handboog |
handboog:
handboeëg (L316p Kaulille)
|
Hoe heet een boog dien de kinderen maken van een buigbaren stok en een koord? [ZND 32 (1939)]
III-3-2
|
| 17661 |
handen (kindernamen) |
handjes:
henn`ke (L316p Kaulille),
polletjes:
poll`ke (L316p Kaulille)
|
Kinderwoorden voor de handen [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 17660 |
handen (spotnamen) |
duimen:
doeme (L316p Kaulille),
klauwen:
klawwe (L316p Kaulille)
|
Spotbenamingen voor de handen [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 34566 |
handkar |
handkar:
ha.ntkɛr (L316p Kaulille),
stootkar:
stuǝtkɛ̄r (L316p Kaulille)
|
Tweewielige kar die men met de handen voortduwt of trekt. Deze kar heeft twee bomen en zijplanken. [N 17, 15a; N G, 51; JG 1a + 1b; A 42, 4; monogr.]
I-13
|
| 27222 |
handlanger |
dien(d)er:
dēnǝr (L316p Kaulille),
metserdien(d)er:
mɛtsǝrdēnǝr (L316p Kaulille)
|
Helper van de metselaar. Tot de taken van de handlanger behoren onder meer het aandragen van metselstenen en het klaarmaken van de specie. [N 30, 2a; N 30, 2b; N 30, 2c; N 30, 2d; N 30, 40b; N 30, 45a; N 31, 16b; L B 1, 104; monogr.; div.; Vld]
II-9
|
| 29922 |
handlangeren |
dienen:
dēnǝ (L316p Kaulille)
|
De metselaar helpen bij zijn werkzaamheden door onder meer metselstenen aan te dragen en mortel klaar te maken. [N 30, 2b; N 30, 2c; monogr.]
II-9
|