| 17861 |
krioelen |
krioelen:
krjoele (L316p Kaulille)
|
Krioelen: zich in alle richtingen dooreen bewegen (krioelen, kriemelen, wriemelen, friemelen, wemelen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 18071 |
kroep |
kroep:
kroep (L316p Kaulille)
|
Kroep: ontsteking van het strottehoofd en de luchtpijp die door afzettingen op het slijmvlies gevaar van verstikking met zich meebrengt (kroep, krop, pip). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 17579 |
kroeshaar |
krulletjeshaar:
kröll`k`shaor (L316p Kaulille)
|
Kroeshaar (kroezelen, kroezelhaar). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 17894 |
krommen, ombuigen |
omplooien:
umploe:je (L316p Kaulille),
plooien:
ploe:je (L316p Kaulille)
|
Krommen: een kromme gebogen vorm doen aannemen (krommen, buigen, draaien, krom maken) [N 108 (2001)] || Ombuigen: een andere richting geven (ombuigen, (om)plooien) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 19586 |
kroonkandelaar, luster |
luster:
lystər (L316p Kaulille)
|
lamp/ luchter; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 26077 |
kruias, kruirad |
haspel:
haspǝl (L316p Kaulille),
takel:
tākǝl (L316p Kaulille)
|
Het wiel of de as onderaan de staart aan de buitenzijde van de molen, waarmee de molen of de molenkap met behulp van kettingen of touwen naar de wind gedraaid wordt. Zie ook afb. 21 en 23. Een aantal woordtypen is een pars pro toto. [N O, 30a; A 42A, 58; monogr.]
II-3
|
| 26082 |
kruien |
kruien:
krui̯ǝ (L316p Kaulille),
verkruien:
vǝrkrøjǝ (L316p Kaulille)
|
De molen of molenkap draaien met als doel de wiekenas in de windrichting te plaatsen. [N O, 30i; N O, 30k; A 42A, 56; monogr.] || Een last met de kruiwagen vervoeren. [N 18, 100 add; Wi 33; S 19; L 29, 4; L 1a-m; RND 97; A 42, 13 add + 16 add; monogr.]
I-13, II-3
|
| 19581 |
kruik |
kan:
kan (L316p Kaulille)
|
kruik [ZND 29 (1938)]
III-2-1
|
| 26079 |
kruiketting, kruitouw |
kabel:
kābǝl (L316p Kaulille),
kruiketting:
krøjkęteŋ (L316p Kaulille)
|
De op de kruias bevestigde ketting waarmee de molen of de molenkap wordt verplaatst. In l 289 en l 377 gebruikte men daartoe geen ketting maar een touw, in l 316 een kabel. [N O, 30b; N O, 30c; N O, 30d; A 42A, 57; monogr.]
II-3
|
| 20806 |
kruimel |
greumel:
grummel broet (L316p Kaulille),
korrel:
korrel broeëd (L316p Kaulille),
kruimel:
krummel broed (L316p Kaulille)
|
kruimel brood [ZND 36 (1941)]
III-2-3
|