| 26259 |
ruiter |
ijzeren haak:
izǝrǝ hō.k (L316p Kaulille)
|
De haak of beugel waarmee de kop van de vangplank of het sleepstuk aan de daklijst of aan een speciale balk vastligt. [N O, 12e]
II-3
|
| 17885 |
ruk |
rof:
rōf (L316p Kaulille),
snok:
snōk (L316p Kaulille)
|
Ruk: snelle, korte beweging waardoor iets of iemand met een schok van zijn plaats wordt getrokken (ruk, snok, roets) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 17884 |
rukken |
met schokken trekken:
met schokken trekken (L316p Kaulille),
rijten:
rieten (L316p Kaulille),
rukken:
rukken (L316p Kaulille),
schokken:
schokken (L316p Kaulille),
trekken:
trekken (L316p Kaulille)
|
niet rukken (niet met rukken trekken) [ZND 42 (1943)]
III-1-2
|
| 25148 |
rukwind |
wind met buien:
wint mɛt˱ bø̜jǝ (L316p Kaulille)
|
Een ongelijke, stotende wind. [N O, 9e]
II-3
|
| 34024 |
rund |
rund:
rønt (L316p Kaulille),
rø̄nt (L316p Kaulille)
|
Holhoornig, herkauwend zoogdier dat om zijn vlees en melk en ook wel als trekdier gehouden wordt. [L 6, 22; L 42, 12; S 30; S 49; Wi 6; monogr.]
I-11
|
| 24326 |
runderhorzel, horzel |
horzel:
hōrzel (L316p Kaulille)
|
horzel [ZND 27 (1938)]
III-4-2
|
| 24349 |
runderhorzellarve |
wormbult:
wøͅrəmbøltə (L316p Kaulille)
|
worm vdit laatste insect [Goossens 1b (1960)]
III-4-2
|
| 34022 |
rundvee |
beesten:
biǝstǝ (L316p Kaulille)
|
Als vee gehouden runderen. Rundvee in het algemeen. Zie afbeelding 1. [N 3A, 1; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 18119 |
ruw |
schraal:
schroäl (L316p Kaulille)
|
hoe zegt gij als in de winter de huid van uw handen of uw aangezicht ruw worden, vooral bij noordenwind ? [ZND 36 (1941)]
III-1-2
|
| 18118 |
ruw worden |
kapotspringen:
kapotspringen (L316p Kaulille)
|
hoe zegt gij als in de winter de huid van uw handen of uw aangezicht ruw worden, vooral bij noordenwind ? [ZND 36 (1941)]
III-1-2
|