| 31903 |
beitelborst |
beitelbrost:
bētǝlbrǫs (Q121p Kerkrade)
|
Het verdikte gedeelte aan de bovenzijde van het beitelblad dat tegen het beitelhecht rust. [N 53, 34d; A 14, 12b add.]
II-12
|
| 31919 |
beitelen |
beitelen:
bēsǝlǝ (Q121p Kerkrade)
|
In het algemeen met de beitel werken. [N 53, 46a; monogr.]
II-12
|
| 30711 |
beitsen |
beizen:
bajtsǝ (Q121p Kerkrade)
|
Hout kleuren met behulp van beits. [N 67, 66h; monogr.]
II-9
|
| 24301 |
bek |
muil:
ideosyncr.
moel (Q121p Kerkrade)
|
Hoe noemt u de bek van een dier (muil, bakkes) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 21775 |
bekakt praten |
elektrisch muilen:
moeilijke woorden gebruiken
Elek’triesj moele (Q121p Kerkrade),
hollands muilen:
Hollands praten
Huilends moelen (Q121p Kerkrade),
strontsen:
sjtróngse (Q121p Kerkrade)
|
bekakt praten [N 102 (1998)]
III-3-1
|
| 21777 |
bekakte praat |
bekakte behei:
bekakde behai (Q121p Kerkrade)
|
bekakt praten [N 102 (1998)]
III-3-1
|
| 19324 |
bekakte praat /bekakt praten |
bekakte bohei:
De Limburgse vormen met b en een tweeklank aan het eind sluiten m.i. het meest aan bij de vorm die ook in het Rijnland bekend is: Buhei. In het Rheinisches Wörterbuch deel I kol. 1106 vind je heleboel vormen onder dat trefwoord. Gezien ook de vormen in het WNT zou ik in dit geval voor een trefwoord kiezen dat wat dichter bij het Limburgse (en Rijnlandse) ligt: bohei.
bekakde behai (Q121p Kerkrade),
elektrisch muilen:
moeilijke woorden gebruiken
Elek’triesj moele (Q121p Kerkrade),
hollands muilen:
Hollands praten
Huilends moelen (Q121p Kerkrade),
strunzen:
sjtróngse (Q121p Kerkrade)
|
bekakt praten [N 102 (1998)]
III-1-4
|
| 21830 |
bekendmaken |
proclameren:
proklamere (Q121p Kerkrade)
|
officiëel bekend maken [uitbellen, uitklinken, afkleppen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 18974 |
bekennen |
bekennen:
bekenne (Q121p Kerkrade),
beken’ne (Q121p Kerkrade)
|
bekennen || uitkomen voor een schuld [kennen, bekennen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 30043 |
bekisten |
verschalen:
vǝršālǝ (Q121p Kerkrade)
|
De bekisting voor stortbeton plaatsen. Het afbreken van de bekisting noemde men in L 291 'uitschalen' ('ūtšālǝ'). [N 30, 51a, add.; monogr.]
II-9
|