id | Begrip | Trefwoord: dialectopgave (plaats) | Omschrijving |
---|---|---|---|
31903 | beitelborst | beitelbrost: bētǝlbrǫs (Kerkrade) | Het verdikte gedeelte aan de bovenzijde van het beitelblad dat tegen het beitelhecht rust. [N 53, 34d; A 14, 12b add.] II-12 |
31919 | beitelen | beitelen: bēsǝlǝ (Kerkrade) | In het algemeen met de beitel werken. [N 53, 46a; monogr.] II-12 |
30711 | beitsen | beizen: bajtsǝ (Kerkrade) | Hout kleuren met behulp van beits. [N 67, 66h; monogr.] II-9 |
24301 | bek | muil: ideosyncr. moel (Kerkrade) | Hoe noemt u de bek van een dier (muil, bakkes) [N 83 (1981)] III-4-2 |
21775 | bekakt praten | elektrisch muilen: moeilijke woorden gebruiken Elek’triesj moele (Kerkrade), hollands muilen: Hollands praten Huilends moelen (Kerkrade), strontsen: sjtróngse (Kerkrade) | bekakt praten [N 102 (1998)] III-3-1 |
21777 | bekakte praat | bekakte behei: bekakde behai (Kerkrade) | bekakt praten [N 102 (1998)] III-3-1 |
19324 | bekakte praat /bekakt praten | bekakte bohei: De Limburgse vormen met b en een tweeklank aan het eind sluiten m.i. het meest aan bij de vorm die ook in het Rijnland bekend is: Buhei. In het Rheinisches Wörterbuch deel I kol. 1106 vind je heleboel vormen onder dat trefwoord. Gezien ook de vormen in het WNT zou ik in dit geval voor een trefwoord kiezen dat wat dichter bij het Limburgse (en Rijnlandse) ligt: bohei. bekakde behai (Kerkrade), elektrisch muilen: moeilijke woorden gebruiken Elek’triesj moele (Kerkrade), hollands muilen: Hollands praten Huilends moelen (Kerkrade), strunzen: sjtróngse (Kerkrade) | bekakt praten [N 102 (1998)] III-1-4 |
21830 | bekendmaken | proclameren: proklamere (Kerkrade) | officiëel bekend maken [uitbellen, uitklinken, afkleppen] [N 87 (1981)] III-3-1 |
18974 | bekennen | bekennen: bekenne (Kerkrade), beken’ne (Kerkrade) | bekennen || uitkomen voor een schuld [kennen, bekennen] [N 85 (1981)] III-1-4 |
30043 | bekisten | verschalen: vǝršālǝ (Kerkrade) | De bekisting voor stortbeton plaatsen. Het afbreken van de bekisting noemde men in L 291 'uitschalen' ('ūtšālǝ'). [N 30, 51a, add.; monogr.] II-9 |