| 34353 |
varkenspest |
varkenspest:
vɛrkǝspɛs (Q121p Kerkrade)
|
De klassieke varkenspest. Een zeer gevaarlijke en zeer besmettelijke ziekte die veoorzaakt wordt door een virus dat huid, organen en vooral de tonsillen aantast. [N 76, 56; N 76, 53]
I-12
|
| 34372 |
varkenssnijder |
castreur:
kastrø̄r (Q121p Kerkrade)
|
Persoon die varkens castreert. Deed aanvankelijk de boer zelf of de biggenhandelaar dit castreren, later werd hiervoor de veearts ingeschakeld. [N 76, 45; JG 1a; monogr.]
I-12
|
| 33391 |
varkensstal, varkenshok |
varkenstalletje:
vɛrǝkǝsštɛlšǝ (Q121p Kerkrade)
|
De stal of het deel van de stal waarin zich de varkenshokken bevinden. Doorgaans wordt er geen onderscheid gemaakt in de aanduiding van de stal in de zin van het gebouw of deel daarvan en in die van het hok, de houten constructie waarin de varkens zich bevinden. De opgaven waarbij wèl is aangegeven dat zij betrekking hebben op het houten hok, staan achter in het lemma bijeen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.3). Zie ook de plattegronden van de stallen in paragraaf 1.2. [N 5A, 60a en 60b; N 5, 105c; A 10, 9d en 9e; L 38, 27; S 39 en 50; monogr.]
I-6
|
| 33393 |
varkenstrog |
trog:
trǭax (Q121p Kerkrade)
|
De vaste voerbak in een varkenshok voor het vloeibare voedsel. [N 5A, 60d; A 4, 4d; L 8, 19; L 20, 4d]
I-6
|
| 20646 |
varkensvet |
schmalz (du.):
sjmals (Q121p Kerkrade),
sjmalts (Q121p Kerkrade)
|
reuzel [DC 17 (1949)]
III-2-3
|
| 33396 |
varkenswei |
varkenswei:
vɛrkǝns˱węi̯ (Q121p Kerkrade)
|
De met een houten schutting of prikkeldraad omheinde ruimte in de open lucht waar de varkens lopen. Vaak wordt de boomgaard als varkenswei gebruikt. [N 5A, 61a; N 76, 41a; A 10, 9e]
I-6
|
| 34366 |
vast varkensvoer |
brokken (mv.):
brǫkǝ (Q121p Kerkrade),
varkensvoer:
vɛrkǝnsvōr (Q121p Kerkrade)
|
[N 76, 39; monogr.]
I-12
|
| 25385 |
vaste bloedmassa |
aderen:
ǭrǝ (Q121p Kerkrade),
klonteren:
klontjǝrǝ (Q121p Kerkrade)
|
In het bloed zit de stof fibrine die het bloed doet stollen. Tijdens het kloppen van het bloed vormt deze stof een vaste, draderige massa om de vingers, het strootje of het houtje. [N 28, 18; monogr.]
II-1
|
| 18427 |
vaste boord |
boord:
b.v. - van dr kraag.
boad, böadsje (Q121p Kerkrade),
ouder
booet (Q121p Kerkrade),
kraag:
kraar (Q121p Kerkrade)
|
boordsel, rand || kraag, vaste halsboord van een overhemd [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 34272 |
vaste uitwerpselen |
schaapskeutelen:
šoǝpskøtǝlǝ (Q121p Kerkrade),
varkensstront:
vɛrkǝnsštroŋks (Q121p Kerkrade)
|
[N 76, 35; A 9, 24d]In de vragen L 20, 22f en A 4, 22f werd ook gevraagd naar het gebruik van schapenmest. Uit de antwoorden blijkt dat schapenmest kon dienen als bemesting in het algemeen en als weiland- en bloembemesting. Ook vermengde men schapenmest met stalmest. Schapenmest werd wel eens gebruikt om stokbomen in te planten. [N 77, 122; L 20, 22f; A 4, 22f; A9, 24c]
I-12
|