| 33505 |
veldsla |
muisoor:
moes’oer (Q121p Kerkrade),
veldsalade:
veld’sjlaat (Q121p Kerkrade),
ideosyncr.
veldsjlaat (Q121p Kerkrade)
|
veldsla || Veldsla; de onderste bladeren zijn spatel- of lepelvormig, de hogere langwerpig en spits, bloempjes zijn klein en bleekblauw (veldkrop, veldsla, muizenoortje, korensla, witmoes). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 31250 |
veldsmidse |
veldsmeed:
vɛltšmet (Q121p Kerkrade)
|
Een verplaatsbare kleine smidsvuurhaard zonder schoorsteen. De veldsmidse bestaat uit een ijzeren vuurhaard in een metalen gestel waaronder een blaasbalg of ventilator is aangebracht die met de hand of met de voet in beweging kan worden gezet. Zie ook afb. 12. [N 33, 308; N 64, 24; N 66, 10a]
II-11
|
| 33696 |
veldweg |
weggetje:
wēsjǝ (Q121p Kerkrade)
|
Een niet-verharde, vaak met gras begroeide weg door het veld, waarlangs men vanaf het erf de akkers kan bereiken die niet aan de straat gelegen zijn. [N 5A, 75c; N P, 2; JG, 1a, 2b; L 37, 43; monogr.]
I-8
|
| 23547 |
velum |
velum (lat.):
veloem (Q121p Kerkrade)
|
Het velum [veeloem?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20660 |
venkel |
fenchel (du.):
fin’sjel (Q121p Kerkrade),
venkel:
ideosyncr.
venkel (Q121p Kerkrade),
vensjel:
fin’sjel (Q121p Kerkrade)
|
venkel || Venkel; een tweejarig of overblijvend kruid met een ronde gestreepte stengel, tot 1.50 m hoog; de bloemen zijn geel, de zaden langwerpig, geelgrijs en gegroefd; de gedroogde blaadjes of zaadjes worden als specerij gebruikt (venkel, vennekool, foele). [N 82 (1981)]
I-7, III-2-3
|
| 30317 |
vensterbank |
vensterbank:
venstǝrbaŋk (Q121p Kerkrade
[(meervoud: venstǝrbɛŋk)]
)
|
Min of meer breed houten of stenen dekstuk aan de binnenzijde van een raam op hoogte van de onderdorpel. Zie ook afb. 57b. Een stenen vensterbank werd in P 48 van 'arduin' ('ardø̜̄n'), in K 314 van 'arduinsteen' ('ardoanstiǝn'), in L 366 van naamse steen en in K 317 van 'marmer' ('męlǝbǝr') vervaardigd. [N 55, 44b; S 39; L 8, 37b; L 31, 12b; L B1, 168; A 46, 10c; monogr.]
II-9
|
| 30336 |
vensterblinden |
slagen:
šlē̜ǝx (Q121p Kerkrade)
|
Houten panelen of borden die aan de binnenzijde van het huis aan één of aan beide zijden van het raamkozijn zijn aangebracht. Men onderscheidt slag- of vouwblinden die draaiend geopend kunnen worden en schuif- of rolblinden die in een in de muur uitgespaarde ruimte geschoven kunnen worden. [N 55, 65b; A 23, 18b; A 46, 11c; L 32, 75a; RND 10, 49 add.; monogr.]
II-9
|
| 30773 |
vensterglas |
vensterglas:
venstǝrjlās (Q121p Kerkrade)
|
Het voor glasruiten meest gebruikte materiaal. Vensterglas is leverbaar in drie diktes: enkeldik: 1,5 à 2 mm, dubbeldik: 3 à 4 mm en tripel 4 à 8 mm dik. [N 67, 89b; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 30332 |
vensterluiken |
blinden:
bleŋ (Q121p Kerkrade),
slagen:
šlē̜ǝx (Q121p Kerkrade),
vensterslagen:
venstǝršlē̜ǝx (Q121p Kerkrade
[(enkelvoud: venstǝršlāx)]
)
|
Zie kaarten. De houten panelen die draaiend aan de buitenkant van het huis aan beide zijden van het raam zijn aangebracht. Er bestaan ook losse vensterluiken die 's avonds voor het raam worden geplaatst en 's morgens weer verwijderd worden. Zie voor het woordtype 'vensters' ook Van Keirsbilck I pag. 466 s.v. 'venster': ø̄Ook dikwijls gebruikt in den zin van een beweeglijk luik vóór een venster, aan den buitenkant.ø̄ [N 55, 65a; A 23, 18a; A 46, 11a; L 1 a-m; L 32, 75b; L 1u, 17; L B1, 155; L A2, 409; rnd 49 add.; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 29898 |
ventilatiepan |
ventilatiepan:
ventilatiepan (Q121p Kerkrade)
|
Dakpan met een ventilatie-opening. Een dergelijke opening werd in Q 202 een loftlok (loflǭk) genoemd. [N 32, 45a]
II-8
|