| 24819 |
wiegen van bloemen |
pompelen:
pomple (Q121p Kerkrade)
|
wiegen v bloemen
III-4-3
|
| 34574 |
wiel |
rad:
rat (Q121p Kerkrade),
meervoud
rār (Q121p Kerkrade)
|
Algemene benaming voor het wiel van een kar of een wagen. De karren en wagens hebben aanvankelijk houten wielen met daarrond een ijzeren band, om slijtage tegen te gaan. Na de tweede wereldoorlog werden deze houten wielen geleidelijk aan vervangen door wielen met luchtbanden. Afhankelijk van de omtrek heeft een wiel tien tot veertien spaken. [N 17, 57a-b + add; N 18, 99 + add; N G, 4; JG 1a + 1b; Gi 1,1; L 20, 21; L 38, 41; A 2, 60; A 4, 21; A 43, 1a-b; Wi 5; S 29; monogr.]
I-13
|
| 24962 |
wiel, kolk |
poel:
pool (Q121p Kerkrade)
|
kolk of plas die na een dijkbreuk is ontstaan of is overgebleven na een overstroming [wiel, waal] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 31573 |
wielband |
band:
bank (Q121p Kerkrade)
|
De ijzeren hoepel die door de smid om de houten velg van een kar of wagen wordt gelegd. Zie ook afb. 209a. [N G, 46a; N 17, 67; A 42, 17; JG 1a; JG 1b; L 20, 20c; A 4, 20c; N 33, 8 add.; monogr.; Vld.; div.]
II-11
|
| 22412 |
wielerwedstrijd |
rennen:
renne (Q121p Kerkrade)
|
Snelheidswedstrijd voor wielrenners op de weg [koers, klassieker]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 24276 |
wielewaal |
goudmerel:
joodmäele (Q121p Kerkrade),
goudmerel
jood’meële (Q121p Kerkrade)
|
Hoe heet de wielewaal? [DC 06 (1938)] || wielewaal
III-4-1
|
| 23554 |
wierook |
wierook:
wierooch (Q121p Kerkrade)
|
Wierook [wierek, wierooch?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23556 |
wierookkorrels |
wierookkorreltjes:
wieroochkörrelsjer (Q121p Kerkrade)
|
Wierookkorrels. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23555 |
wierookvat |
wierookvat:
wieroochvaas (Q121p Kerkrade)
|
Het wierookvat [wiereksvat, wieresvaas?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 27425 |
wig |
houtkijl:
hōtskil (Q121p Kerkrade
[(Domaniale)]
[Domaniale]),
kijl:
kil (Q121p Kerkrade
[(Domaniale / Wilhelmina)]
[Julia]),
kīl (Q121p Kerkrade),
knotsje:
knøtšjǝ (Q121p Kerkrade
[(Domaniale)]
[Domaniale]),
wig:
wig (Q121p Kerkrade
[(Wilhelmina)]
[Julia])
|
Houten wig die soms achter de touwen wordt gedreven om de verbinding te verstevigen. Zie ook afb. 19. [N 32, 5d; monogr.] || Taps toelopend houten blok dat wordt gebruikt om bijvoorbeeld ijzeren ondersteuningen of schudgootmotoren vast te zetten. Het woordtype "bouwkijl" werd op de Domaniale mijn gebruikt voor een wig in galerij-ondersteuningen. [N 95, 346; N 95, 347; N 95, 332; monogr.; Vwo 209; Vwo 724]
II-5, II-9
|