| 33883 |
leewater |
leewater:
lēwātǝr (Q111p Klimmen),
lęi̯wātǝr (Q111p Klimmen)
|
Gewrichtsontsteking bij veulens - ook bij kalveren en hoenders -, door een vochtophoping, veroorzaakt door een besmetting die bij veulens vooral via een navelwond binnendringt. [A 48A, 12c; N 8, 90m en 90n; monogr.]
I-9
|
| 34067 |
lege eerste koe |
schot:
šǫt (Q111p Klimmen)
|
Jong rund dat eenmaal heeft gekalfd, maar dat daarna niet meer drachtig wil worden of waarmee men niet verder wil fokken. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 25b; N C, 15; monogr.]
I-11
|
| 28291 |
lege wagen |
lege:
lę̄gǝ (Q111p Klimmen
[(Oranje-Nassau I / III / IV)]
[Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau II, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV])
|
[N 95, 673a; monogr.]
II-5
|
| 17815 |
leggen |
leggen:
lèkke (Q111p Klimmen)
|
leggen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 29060 |
legger |
ijzerlegger:
izǝrlē̜gǝr (Q111p Klimmen
[(wijst duidelijk op de ligging van de voorpoten op de hoefijzers)]
),
stalzwam:
štolžwam (Q111p Klimmen
[(sponsachtige vochtophoping)]
)
|
Een veel voorkomende zwelling of slijmbeursje van verschillende grootte aan de achterkant van de elleboog. Ze ontstaat door de druk van de kalkoenen der voorijzers op het gewricht, als het dier over een te kleine ligplaats beschikt en daardoor met de borst op de onder het lijf getrokken voeten ligt. De legger is een schoonheidsfout, die bij het lopen niet hindert maar wel pijnlijk kan zijn. [N 8, 32.1, 90d, 90f en 90g; monogr.]
I-9
|
| 33409 |
legnest |
legbak:
lęqbak (Q111p Klimmen),
legkist:
lęq˱kes (Q111p Klimmen),
nest:
nęs (Q111p Klimmen)
|
Het nest waarin de kippen hun eieren leggen. Est is door metanalyse uit nest ontstaan. [N 19, 32; A 48, 16e; monogr.; add. uit S 25]
I-6
|
| 23465 |
lei(en) |
lei(en):
leie (Q111p Klimmen),
leij (Q111p Klimmen),
n lej, de lejje (Q111p Klimmen)
|
Een lei, de leien op het dak van de kerk [laj, lajje?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 34147 |
leiden |
winnen:
wenǝ (Q111p Klimmen)
|
De koe laten paren. [N 3A, 30a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 29899 |
leipan |
daktegel:
dāktēgǝl (Q111p Klimmen)
|
Gebakken dakpan in de vorm en afmeting van de natuurlijke lei. Leipannen worden gespijkerd, zij hebben geen kop- of zijsluiting en moeten daarom zo gedekt worden dat de naad tussen twee leipannen afgedekt wordt door een bovenliggende pan. [N 32, 49a]
II-8
|
| 28251 |
leischoenen |
leischoenen:
lęjšōn (Q111p Klimmen
[(Oranje-Nassau I / III / IV)]
[Domaniale, Wilhelmina])
|
Geleidingsschoenen van de schachtkooi die met enige speling om de geleidingsbomen van de schacht sluiten. [N 95, 97; monogr.]
II-5
|