| 32867 |
maaipad |
gemad:
gǝmāt (Q111p Klimmen),
gemade/gemaai:
gǝmā (Q111p Klimmen
[(met de zeis)]
),
gǝmāi̯ (Q111p Klimmen),
jaan/gaan:
jǭn (Q111p Klimmen)
|
Het pad dat in het veld ontstaat als men één regel gras heeft afgemaaid, het strookje kale veld dus, waar geen lang gras meer staat. De zegsman van L 330 tekent bij zijn opgave slorf aan: "het werkwoord slorven betekent het afpassen voor het grasmaaien, het met de klompen plattreden van het gras om grenzen (als voren op de akker) te markeren". Vergelijk ook het woordtype getreed. [N 14, 95; monogr.] || Lege gang of leeg pad dat ontstaat na het maaien van een baan graan; de gemaaide oppervlakte. Zie ook de toelichting bij het lemma ''graanzwad, rij gemaaide halmen'' (4.2.10). [N 15, 25a; monogr.; add. uit JG 1b]
I-3, I-4
|
| 26694 |
maalstoel van de handmolen |
maalstoel:
mālštōl (Q111p Klimmen)
|
Het houten onderstel van de handmolen. [N D, 24]
II-3
|
| 33891 |
maanblind paard |
(het heeft een) maanoog:
mǭnǫu̯x (Q111p Klimmen),
maanoger:
mǭnø̜i̯gǝr (Q111p Klimmen)
|
Gezegd van een paard met een periodieke oogontsteking, gewoonlijk om de maand of na twee maanden. Het paard is dan lichtschuw en het hele oog vertoont ontstekingsverschijnselen: een sterke traanafscheiding en een roodachtige kleur van de bindhuid. De kwaal is gewoonlijk na twee à drie weken geweken, maar kan zich ook periodiek herhalen en tot blindheid leiden. De naam maanblindheid houdt verband met de vroegere mening, dat deze kwaal maandelijks, bij het op- en afgaan van de maan, terugkeerde. [A 48A, 38a; N 8, 62p en 90v]
I-9
|
| 22438 |
maandag voor aswoensdag |
rozenmaandag:
vgl. Du. Rosenmontag, carnavalsmaandag.
Raozemaondig (Q111p Klimmen),
vastelavondsmaandag:
vastelaovesmaondig (Q111p Klimmen)
|
De naam voor de maandag vóór aswoensdag. [N 88 (1982)] || naam voor de maandag voor Aswoensdag [VC 26 (1961)]
III-3-2
|
| 31153 |
maanmes |
schalmmes:
šalǝmmɛts (Q111p Klimmen)
|
Mes waarmee men stukken leer voor de binnenhaam uitsnijdt. De vorm van het blad is een halve maan. Zie afb. 70. [N 36, 39; Li 1963, 38]
II-10
|
| 25165 |
maansverduistering |
maaneclips:
moaneclips (Q111p Klimmen)
|
Eclips van de maan [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 17671 |
maantje op de nagel |
maantje:
mäöntje (Q111p Klimmen)
|
maantje: Lichter gekleurd gedeelte onderaan de vingernagels (maantje). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 25162 |
maanx |
mond (du.):
moand (Q111p Klimmen)
|
maan [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 33107 |
maat houden bij het dorsen |
slaghouden:
slaxhau̯tǝ (Q111p Klimmen)
|
Wanneer men met meer dan één man dorst, moet men goed de maat houden; zie ook de algemene toelichting bij deze paragraaf. In dit lemma staan de benamingen voor dit houden van de juiste maat bijeen. De uitdrukking boekweit dorsen, of beter: boekweitkoek dorsen of - slaan (en heteroniemen, zie het lemma ''boekweit'', 1.2.10) betekent doorgaans: "ritmisch, op maat dorsen"; de term is een onomatopee. Soms ook betekent de uitdrukking dat alle dorsers tegelijk slaan ten teken dat het dorsen klaar is. In L 326 merkt de zegsman opdat deze uitdrukking "verkeerd dorsen" betekent. Trompen is wel de benaming voor het ritmisch luiden van de kerkklok; vergelijk ook het type luiden zelf. Voor de fonetische documentatie van het woord [dorsen], zie het lemma ''dorsen'' (6.1.1).' [N 14, 12 en 14b; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 25249 |
maat, algemeen |
maat:
maot (Q111p Klimmen),
⁄n maot (Q111p Klimmen)
|
de eenheid waarmee lengten, inhouden etc. worden gemeten, in het algemeen [maat, pegel] [N 91 (1982)]
III-4-4
|