| 33778 |
melkgebit |
melktanden:
męlǝktɛŋ (Q111p Klimmen)
|
Tot twee en een half à drie jaar hebben de paarden een melkgebit of veulenstanden. De twee middelste snijtanden komen door in de eerste levensweek van het veulen (soms zijn ze bij de geboorte al aanwezig), binnen een maand of zes weken gevolgd door de snijtanden ernaast. De twee laatste snijtanden volgen tussen de zes en negen maanden, waarna het melkgebit compleet is. De veulenstanden zijn wit van kleur in tegenstelling tot het wat gelige vast gebit en lopen naar de basis toe in een punt uit. [JG 1a, 1b; N 8, 18a]
I-9
|
| 34079 |
melkgebit van kalveren |
kalvertanden:
kau̯vǝrtɛŋ (Q111p Klimmen),
melkstanden:
mɛlǝkstɛŋ (Q111p Klimmen)
|
[N 3A, 108a]
I-11
|
| 34346 |
melkgift van de zeug |
melk:
mɛlǝk (Q111p Klimmen),
zuik:
zø̜i̯k (Q111p Klimmen)
|
[N 19, 20]
I-12
|
| 30780 |
melkglas |
melkglas:
melǝk˲glās (Q111p Klimmen),
męlǝk˲glās (Q111p Klimmen)
|
Ondoorzichtig, melkwit gekleurd glas. [N 67, 89i]
II-9
|
| 19514 |
melkkannetje |
melkkannetje:
mèlk-kenneke (Q111p Klimmen),
melkskannetje:
mèllekskénnekke (Q111p Klimmen)
|
melkkannetje waaruit men aan tafel melk schenkt [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 34568 |
melkkar |
melkkar:
mɛlǝkkar (Q111p Klimmen),
melkskar:
męlǝkskār (Q111p Klimmen)
|
Kar om melkbussen van meerdere boeren van en naar de fabriek te brengen. Het was meestal een lange kar met een groot bodemoppervlak en lage zij-, voor- en achterplanken. [N 17, 15; N G 51; monogr.]
I-13
|
| 34129 |
melkkoe |
melkkoe:
mɛlǝkǫu̯ (Q111p Klimmen),
melktype:
mɛlǝktip (Q111p Klimmen)
|
Koe die geschikt is voor melkproductie. [N 3A, 148]
I-11
|
| 34096 |
melkkuil |
melkskuil:
(mv)
mɛlǝkskūlǝ (Q111p Klimmen)
|
Opening waardoor melkaders uit het lichaam van de koe komen. [N 3A, 118b]
I-11
|
| 34098 |
melkspiegel |
melkspiegel:
mɛlǝkšpēgǝl (Q111p Klimmen)
|
Plaats achter de uier waar de haren in de verkeerde richting liggen. [N 3A, 118d]
I-11
|
| 34227 |
melkstoeltje |
melkstoeltje:
mɛlkštø̄lkǝ (Q111p Klimmen)
|
Houten krukje met drie of vier poten waarop men zit bij het melken van de koeien. Zie afbeelding 10. [A 9, 13; A 42, 18a; JG 1d; monogr.]
I-11
|