| 19397 |
stop |
stop:
sjtòp (Q111p Klimmen),
meervoud sjtöp
sjtop (Q111p Klimmen)
|
Voorwerp dat een wastafel afsluit om te voorkomen dat het water wegloopt (stop, stopsel) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 19698 |
stop voor fles of kruik |
stop:
sjtop (Q111p Klimmen)
|
stop [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 32330 |
stop, tapkraan |
stop:
štǫp (Q111p Klimmen)
|
De, volgens respondenten uit Horst (L 246), Broekhuizenvorst (L 0247), Venlo (L 271) en Beesel (L 300), van kurk vervaardigde stop, die ter afsluiting in het tapgat wordt geslagen. Wanneer het houten vat wordt aangeslagen, wordt de stop vervangen door een houten tapkraan. [A 36, 3d; monogr.]
II-12
|
| 19376 |
stop, zekering |
stop:
sjtòp (Q111p Klimmen),
zekering:
zieëkering (Q111p Klimmen)
|
Voorwerp dat elektrische stroom onderbreekt zodra die te sterk wordt (stop, plon) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 27624 |
stopdag |
feierschicht:
feierschicht (Q111p Klimmen [Beringen, Zolder, Houthalen, Zwartberg, Winterslag, Waterschei, Eisden])
|
Dag waarop het bedrijf stil lag wegens overproduktie. Volgens een informant uit Q 121 werd deze dag ingesteld in verband met te geringe afzet van kolen van 1928 tot 1939. In de meeste gevallen werd ''s zaterdags niet gewerkt. Deze dag werd niet uitbetaald. Wat betreft het woordtype "loofdag" zij verwezen naar het Duitse lōben "sich von der Arbeit drūcken" (RhWB V pag. 507). [N 95, 920 add.; monogr.]
II-5
|
| 30669 |
stopmes |
lismes:
lęšmɛts (Q111p Klimmen),
stopmes:
štǫpmɛts (Q111p Klimmen)
|
Het, meestal houten, werktuig waarmee de biezen en lissen tussen de bodemplanken en tussen kroos en bodem te duwen. In Kortessem (Q 74) werd als stopmes een rond keukenmes gebruikt. [N E, 54b] || Mes dat wordt gebruikt bij het vullen van gaten met behulp van stopverf, kit, pasta, etc. en bij het aanbrengen van stopverf bij ruiten. Het stopmes bestaat uit een stalen blad met spitse of afgeronde punt dat aan een houten handvat bevestigd is. Zie ook afb. 95. [N 67, 54a]
II-12, II-9
|
| 33062 |
stoppeleinde van de schoof |
vot:
vǫt (Q111p Klimmen)
|
De onderkant van de schoof, daar waar de halmen afgesneden zijn. Zie afbeelding 7. [N 15, 21a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 33104 |
stoppelland |
stoppel:
štǫpǝl (Q111p Klimmen),
stoppelland:
štǫpǝlant (Q111p Klimmen),
stoppelveld:
štǫpǝl˲vęlt (Q111p Klimmen)
|
Het akkerland waarop stoppels staan; zie het vorige lemma ''stoppels'' (5.2.8). Voor de fonetische documentatie van het woord stoppelen, zie ook het lemma ''stoppels'' (5.2.8). [N 15, 51; add. uit N 6, 7; monogr.]
I-4
|
| 32698 |
stoppelland ploegen |
stropen:
[stropen] (Q111p Klimmen)
|
Na de oogst van een graangewas werkt men het stoppelland oppervlakkig om in voren van 5 ä 10 cm diep. De wortels van de graanplanten worden daarbij losgeploegd en een weinig omgekeerd, zodat ze kunnen uitdrogen, om daarna te worden afgeëgd. Vroeger bewerkte men een stoppelakker met een enkele (eenscharige) ploeg met een "wijd" gezet riester, maar zonder voorschaar en kouter. Later verrichtte men dit werk met een meerscharige ploeg, met de cultivator of met de schijveneg. Van de opgesomde termen zijn er sommige toepasselijk op ondiep ploegen in het algemeen of op een bepaalde methode van ondiep ploegen. Voor (delen van) varianten in de (...)-vorm zie men de lemmata ploegen, ondiep, ondiep ploegen en braakland bewerken. [N 11, 43; N 11A, 109b; JG 1c + 2c; JG 1b add.; A 27, 24b, add.; Lu 5, 24b add.; monogr.]
I-1
|
| 33103 |
stoppels |
stoppelen:
stǫpǝlǝ(n) (Q111p Klimmen),
štǫpǝlǝ (Q111p Klimmen)
|
De stompjes halm die na het maaien op het veld overblijven en later worden ondergeploegd. Opvallend polymorfe meervoudsvorming. [N 6, 7; N 15, 52; JG 1a, 1b; L 7, 53; L 15, 23; Wi 51; monogr.]
I-4
|