| 34147 |
leiden |
leiden:
lɛi̯ǝ (Q167p Koninksem)
|
De koe laten paren. [N 3A, 30a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 21503 |
lenen |
lenen:
lēnə (Q167p Koninksem)
|
leenen [ZND 14 (1926)]
III-3-1
|
| 21376 |
leren |
leren:
ži[a} het huin heͅt maista gelīrd en ži zīt brāf geweͅs, ži[a} mog vrygeͅr t⁄haus gon as dāneͅr (Q167p Koninksem)
|
Gij hebt vandaag het meeste geleerd en ge zijt braaf geweest, gij moogt vroeger naar huis gaan als de andere. Gij: deze ganse zin staat in de tweede pers. enkelv. [ZND 04 (1924)]
III-3-1
|
| 21002 |
leverpastei |
leverpat:
leͅə.vərpātē (Q167p Koninksem),
pat:
’pā.tē (Q167p Koninksem)
|
leverpastei [Goossens 1b (1960)]
III-2-3
|
| 20514 |
leverworst |
leverpens:
leiverpens (Q167p Koninksem),
witte pens:
daar is meer vlees bij
witə pɛ.ns (Q167p Koninksem)
|
leverworst [Goossens 1b (1960)], [ZND 21 (1936)]
III-2-3
|
| 19353 |
lichtgeraakt, kregel |
getokt:
ook materiaal znd 28, 49
gedoek (Q167p Koninksem),
lichtgeraakt:
ook materiaal znd 28, 49
legeroͅu̯k (Q167p Koninksem)
|
kregel [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 19085 |
liegen |
liegen:
liege (Q167p Koninksem),
liegen (Q167p Koninksem)
|
liegen [ZND 25 (1937)]
III-3-1
|
| 17647 |
lies |
dunnen:
dønǝ (Q167p Koninksem),
lies:
līs (Q167p Koninksem)
|
De twee huidplooien die de grens vormen tussen het onderste gedeelte van de buik en het bovenste gedeelte van het been. Zie afbeelding 2.28. [JG lb; N 8, 32.10] || Het vel of vlies rond een windei. [JG 1b, 1c, 2c]
I-12, I-9
|
| 24343 |
lieveheersbeestje |
onzelieveherepulletje:
ook in ZND 16, 006
slivenheerepelleke (Q167p Koninksem)
|
lieveheersbeestje [ZND 05 (1924)]
III-4-2
|
| 17816 |
liggen |
liggen:
ligge (Q167p Koninksem),
liggen (Q167p Koninksem)
|
liggen [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|