| 22440 |
masker |
mombakkes:
eͅ mumbakəs (Q074p Kortessem),
moembakkes (Q074p Kortessem)
|
Een masker (vastenavond). [ZND B1 (1940sq)] || Masker.
III-3-2
|
| 32983 |
masteluin |
graan:
grɛ̄n (Q074p Kortessem),
masteluin:
mastǝlɛi̯n (Q074p Kortessem)
|
Menggewas, vooral rogge en tarwe dooreen; vroeger bakte men er brood van ("masteluinbrood"), nu wordt het alleen nog als groenvoer gezaaid. Indien het mengsel een andere samenstelling heeft dan rogge en tarwe, dan wordt dat in het lemma aangegeven. De opgaven "groenvoer" zijn in het lemma ''groenvoer'' (1.2.14) ondergebracht. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [koren], zie het lemma ''rogge'' (1.2.4), resp. ''graan, koren'' (1.2.1). [L 39, 15; L lijst graangewassen, 5; monogr.; add. uit L 48, 26; Lu 2, 26]
I-4
|
| 33044 |
mathaak |
zichthaak:
[zicht]hōk (Q074p Kortessem)
|
Doorgaans licht gebogen ijzeren tand aan een houten steel, die bij het maaien met de zicht gebruikt wordt om het graan bij het eigenlijke inkappen op te tillen en om het afgeslagen graan bij elkaar te trekken. In de volgende plaatsen geen specifieke benaming bekend: L 316, 317, 355, 356, 358, 363, 365, 366, 368, 413. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). Vergelijk ook de betekeniskaart 30 bij het lemma ''zicht'' (4.3.1) voor de geografische uitbreiding van pik in de betekenis "zicht" naast die van pik in de betekenis "mathaak". Zie afbeelding 5. [N 18, 72 en 73; JG 1a, 1b, 2c; A 14, 10; L 45, 10; R 3, 66; Gwn 7, 5; monogr.; add. uit N 11, 88; N 15, 16c en 16g; A 4, 28; A 23, 16.2; L 20, 28; Lu 1, 16.2]
I-4
|
| 20909 |
mayonaise |
mayonaise:
màjónéés (Q074p Kortessem)
|
mayonaise [RND]
III-2-3
|
| 18129 |
mazelen |
mazelen:
maozele (Q074p Kortessem)
|
mazelen
III-1-2
|
| 18235 |
medaillon |
medaille:
medaol (Q074p Kortessem)
|
medaille
III-1-3
|
| 18855 |
medelijden |
compassie:
kompaa’sse (Q074p Kortessem)
|
medelijden
III-1-4
|
| 17849 |
meegaan |
meegaan:
mät gōn (Q074p Kortessem),
meegaan bet:
dan gon və bä ug mät (Q074p Kortessem)
|
Dan gaan we met u mee. [ZND 04 (1924)] || Waar gaat ge heen, willen we met u meegaan ? [ZND 04 (1924)]
III-1-2
|
| 21038 |
meel |
meel:
miɛl (Q074p Kortessem),
mēǝl (Q074p Kortessem)
|
Het gemalen, maar nog niet bewerkte graan. Het woordtype boulté, het voltooid deelwoord van het Waalse ɛboulterɛ, ɛbouleterɛ, ø̄builenø̄, duidt er mogelijkerwijs op dat het graan in de genoemde plaatsen al een bepaalde bewerking heeft ondergaan. Zie ook het lemma ɛgemalen, niet gezuiverd graanɛ in wld II.1, pag. 85.' [Wi 53; JG 1a; JG 1b; l monogr.; N O, 37b; Sche 49; Sche 55; Vds 144; Vds 145; Vds 159; Jan 151; Jan 167; Jan 242; Coe 152; Coe 217; Grof 153; Grof 176; monogr.; Vld; Jan 9; Jan 10; Jan 11; Jan 14; Coe 9; Coe 14; N O, 24a; A 42A, 40; N D, 23; A 42A, 36 add.; N O, 19b]
II-3
|
| 26517 |
meelbak |
bak:
bak (Q074p Kortessem),
muil:
mǫwl (Q074p Kortessem),
tremeltje:
trēmǝlkǝ (Q074p Kortessem)
|
De houten bak onderaan de meelpijp waaraan de te vullen meelzak wordt bevestigd. Zie ook afb. 83 en 84. Het woorddeel ømeelŋ- is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 24c; A 42A, 41; Sche 56; Vds 164; Jan 168; Coe 153; Grof 182; N D, 23; monogr.; A 42A, 40; N O, 24a; N D, 33]
II-3
|