| 18799 |
domme man |
dolle, een -:
dolle (Q074p Kortessem),
stommerik:
stoemmerik (Q074p Kortessem)
|
stomme, domme kerel || stommerik
III-1-4
|
| 18800 |
domme vrouw |
flauwe trien:
flauw trien (Q074p Kortessem),
onnozele trien:
onneuzel trien (Q074p Kortessem),
stomme trien:
’n stoem (onneuzel, flauw) trien (Q074p Kortessem)
|
stomme (onnozele, flauw) vrouw
III-1-4
|
| 17908 |
dompelen |
in het water steken:
en t weͅtter stiekə (Q074p Kortessem),
eͅn t weͅtər stiəkə (Q074p Kortessem),
eͅn ⁄t weͅtər stiəkə (Q074p Kortessem, ...
Q074p Kortessem),
in t wetter stieëke (Q074p Kortessem),
ps. de e staat wat hoger geschreven.
en ⁄t weͅtter stiekə (Q074p Kortessem, ...
Q074p Kortessem)
|
(in het water) dompelen [ZND 01 (1922)], [ZND 23 (1937)] || ge moet het doekje in t water dompelen [ZND 23 (1937)]
III-1-2, III-4-4
|
| 25120 |
donderen |
donderen:
dondere (Q074p Kortessem, ...
Q074p Kortessem),
dondərə (Q074p Kortessem, ...
Q074p Kortessem),
(dit wordt ook weleens gezegd).
donnere (Q074p Kortessem),
Vb. t wes krek of ich het in Keuile heuide dondere (t was net of ik het in Keulen hoorde donderen (geweldig nieuws).
dondere (Q074p Kortessem)
|
donderen [ZND 01 (1922)], [ZND 23 (1937)] || donderen, onweren
III-4-4
|
| 25122 |
donderslag |
donderslag:
(dit wordt ook gezegd).
donnersloòg (Q074p Kortessem),
Vb. n dondersloòg bè kleërlîechten doòg (het nieuws is zo verrassend als n donderslag bij heldere hemel).
dondersloòg (Q074p Kortessem)
|
donderslag
III-4-4
|
| 25118 |
donderx |
donder:
donder (Q074p Kortessem, ...
Q074p Kortessem),
doͅndər (Q074p Kortessem, ...
Q074p Kortessem),
Vb. t is den ennen donder op den andere, t hink boven òs (het dondert fel, het onweer is dichtbij).
donder (Q074p Kortessem)
|
donder [ZND 01 (1922)], [ZND 23 (1937)] || donder, onweer
III-4-4
|
| 25021 |
donker, duisterx |
donker:
donkel (Q074p Kortessem),
dunkəl (Q074p Kortessem, ...
Q074p Kortessem),
duister:
dø͂ͅstər (Q074p Kortessem)
|
(`t is hier) donker [ZND 23 (1937)]
III-4-4
|
| 20195 |
dood (adj. schertsend bedoeld |
het is gedaan:
znd 23, 022b;
’t is gedaon (Q074p Kortessem),
hij heeft zijn lepel daar gelegd:
znd 23, 022b;
hie haid zenne leppel dao gelaag (Q074p Kortessem),
hij is bij ons lieve heertje in de kost:
znd 23, 022b;
hîe ’s béé slĭĕvvən herkə en də kos (Q074p Kortessem),
kapot:
znd 23, 022b;
kapot (Q074p Kortessem),
kəpot (Q074p Kortessem)
|
dood; schertsende uitdrukking die hiervoor gebruikt wordt [ZND 23 (1937)]
III-2-2
|
| 20194 |
dood (adj.) |
dood:
znd 23, 022a;
doud (Q074p Kortessem),
dowd (Q074p Kortessem)
|
dood; hij is - [ZND 23 (1937)]
III-2-2
|
| 20324 |
dood (bn.) |
bij jezusje in de kost:
bè djezeke inne kò’s (Q074p Kortessem),
binnengeroepen:
hij is -
bennegeroeppe (Q074p Kortessem),
de berg af:
hij is -
de berg oòf (Q074p Kortessem),
de hoek om:
hij is -
den hoek um (Q074p Kortessem),
de pijp uit:
hij is -
de pijp óut (Q074p Kortessem),
dood:
doud (Q074p Kortessem),
hee is doud
doud (Q074p Kortessem),
er geweest:
der gewès (Q074p Kortessem),
geblazen:
gebloöze (Q074p Kortessem),
gestorven:
chəsturrəvə (Q074p Kortessem),
heeft vergeten te asemen:
hij -
hèt vergètte te oùseme (Q074p Kortessem),
heeft zijn kaarsje uitgeblazen:
hij -
hèt ze kêske óutgebloöze (Q074p Kortessem),
heeft zijn kont toegepitst:
hij -
hèt ze kóet tôugepits (Q074p Kortessem),
hèt zen kont tôegepits (Q074p Kortessem),
heeft zijn loper daargelegd:
hèt zenne löpper daolgeleid (Q074p Kortessem),
heeft zijn loper vortgegooid:
hij -; mar.: vortgegooid?
hèt zenne löpper voetgegooid (Q074p Kortessem),
heeft zijn pijp aan maarten gegeven:
hij -
hèt zen pijp aon matte gegeëve (Q074p Kortessem),
heeft zijn pijp daargelegd:
hij -
hèt zen pijp daolgeleid (Q074p Kortessem),
heeft zijn pijp uitgeklopt:
hij -
hèt zen pijp óutgeklop (Q074p Kortessem),
heeft zijn pijp vortgegooid:
hij -
hèt zen pijp voetgegooid (Q074p Kortessem),
heeft zijn poeper toegepitst:
hij -
hèt zenne poepper tôugepits (Q074p Kortessem),
hemelen:
hij is -
hiemele (Q074p Kortessem),
kapot:
zware uitdrukking
kepot (Q074p Kortessem),
ligt tussen vier planken:
héë lik tuisse vier planke (Q074p Kortessem),
naar de vaantjes:
hij is -; cf. Kortessem wb. s.v. "vaon"= vlag (dus vaan)
nö de vaoinkes (Q074p Kortessem),
naar het pierenland:
nö ’t piereland (Q074p Kortessem),
naar het pieringenland:
nö ’t pieringeland (Q074p Kortessem),
naar sint pieter:
hij is -
nö sint pieter (Q074p Kortessem),
opgetrokken:
hij is -
opgetrokke (Q074p Kortessem),
van de kaart af:
hij is -
vanne koòt oòf (Q074p Kortessem),
zijn asem is achtergebleven:
zie ook p. 369
zennen oùsem is a’terbleve (Q074p Kortessem),
zijn bobijntje is af:
ze bobijnke is oòf (Q074p Kortessem),
zijn liedje is uit:
hij is overleden
ze lidsje is óut (Q074p Kortessem),
zijn metier is stilgevallen:
= slinger, tikker, wekker
zenne metùir is stilgevalle (Q074p Kortessem),
zijn slinger ligt stil:
zenne slienger lik stil (Q074p Kortessem)
|
dood || dood (bn) || dood (bn.) || dood (overleden) || dood (zn.) || dood; ¯t kindje was - eer (dat) ze ¯t konden dopen [RND] || overleden
III-2-2
|