e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Kortessem

Overzicht

Gevonden: 2675
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
domme man dolle, een -: dolle (Kortessem), stommerik: stoemmerik (Kortessem) stomme, domme kerel || stommerik III-1-4
domme vrouw flauwe trien: flauw trien (Kortessem), onnozele trien: onneuzel trien (Kortessem), stomme trien: ’n stoem (onneuzel, flauw) trien (Kortessem) stomme (onnozele, flauw) vrouw III-1-4
dompelen in het water steken: en t weͅtter stiekə (Kortessem), eͅn t weͅtər stiəkə (Kortessem), eͅn ⁄t weͅtər stiəkə (Kortessem, ... ), in t wetter stieëke (Kortessem), ps. de e staat wat hoger geschreven.  en ⁄t weͅtter stiekə (Kortessem, ... ) (in het water) dompelen [ZND 01 (1922)], [ZND 23 (1937)] || ge moet het doekje in t water dompelen [ZND 23 (1937)] III-1-2, III-4-4
donderen donderen: dondere (Kortessem, ... ), dondərə (Kortessem, ... ), (dit wordt ook weleens gezegd).  donnere (Kortessem), Vb. t wes krek of ich het in Keuile heuide dondere (t was net of ik het in Keulen hoorde donderen (geweldig nieuws).  dondere (Kortessem) donderen [ZND 01 (1922)], [ZND 23 (1937)] || donderen, onweren III-4-4
donderslag donderslag: (dit wordt ook gezegd).  donnersloòg (Kortessem), Vb. n dondersloòg bè kleërlîechten doòg (het nieuws is zo verrassend als n donderslag bij heldere hemel).  dondersloòg (Kortessem) donderslag III-4-4
donderx donder: donder (Kortessem, ... ), doͅndər (Kortessem, ... ), Vb. t is den ennen donder op den andere, t hink boven òs (het dondert fel, het onweer is dichtbij).  donder (Kortessem) donder [ZND 01 (1922)], [ZND 23 (1937)] || donder, onweer III-4-4
donker, duisterx donker: donkel (Kortessem), dunkəl (Kortessem, ... ), duister: dø͂ͅstər (Kortessem) (`t is hier) donker [ZND 23 (1937)] III-4-4
dood (adj. schertsend bedoeld het is gedaan: znd 23, 022b;  ’t is gedaon (Kortessem), hij heeft zijn lepel daar gelegd: znd 23, 022b;  hie haid zenne leppel dao gelaag (Kortessem), hij is bij ons lieve heertje in de kost: znd 23, 022b;  hîe ’s béé slĭĕvvən herkə en də kos (Kortessem), kapot: znd 23, 022b;  kapot (Kortessem), kəpot (Kortessem) dood; schertsende uitdrukking die hiervoor gebruikt wordt [ZND 23 (1937)] III-2-2
dood (adj.) dood: znd 23, 022a;  doud (Kortessem), dowd (Kortessem) dood; hij is - [ZND 23 (1937)] III-2-2
dood (bn.) bij jezusje in de kost: bè djezeke inne kò’s (Kortessem), binnengeroepen: hij is -  bennegeroeppe (Kortessem), de berg af: hij is -  de berg oòf (Kortessem), de hoek om: hij is -  den hoek um (Kortessem), de pijp uit: hij is -  de pijp óut (Kortessem), dood: doud (Kortessem), hee is doud  doud (Kortessem), er geweest: der gewès (Kortessem), geblazen: gebloöze (Kortessem), gestorven: chəsturrəvə (Kortessem), heeft vergeten te asemen: hij -  hèt vergètte te oùseme (Kortessem), heeft zijn kaarsje uitgeblazen: hij -  hèt ze kêske óutgebloöze (Kortessem), heeft zijn kont toegepitst: hij -  hèt ze kóet tôugepits (Kortessem), hèt zen kont tôegepits (Kortessem), heeft zijn loper daargelegd: hèt zenne löpper daolgeleid (Kortessem), heeft zijn loper vortgegooid: hij -; mar.: vortgegooid?  hèt zenne löpper voetgegooid (Kortessem), heeft zijn pijp aan maarten gegeven: hij -  hèt zen pijp aon matte gegeëve (Kortessem), heeft zijn pijp daargelegd: hij -  hèt zen pijp daolgeleid (Kortessem), heeft zijn pijp uitgeklopt: hij -  hèt zen pijp óutgeklop (Kortessem), heeft zijn pijp vortgegooid: hij -  hèt zen pijp voetgegooid (Kortessem), heeft zijn poeper toegepitst: hij -  hèt zenne poepper tôugepits (Kortessem), hemelen: hij is -  hiemele (Kortessem), kapot: zware uitdrukking  kepot (Kortessem), ligt tussen vier planken: héë lik tuisse vier planke (Kortessem), naar de vaantjes: hij is -; cf. Kortessem wb. s.v. "vaon"= vlag (dus vaan)  nö de vaoinkes (Kortessem), naar het pierenland: nö ’t piereland (Kortessem), naar het pieringenland: nö ’t pieringeland (Kortessem), naar sint pieter: hij is -  nö sint pieter (Kortessem), opgetrokken: hij is -  opgetrokke (Kortessem), van de kaart af: hij is -  vanne koòt oòf (Kortessem), zijn asem is achtergebleven: zie ook p. 369  zennen oùsem is a’terbleve (Kortessem), zijn bobijntje is af: ze bobijnke is oòf (Kortessem), zijn liedje is uit: hij is overleden  ze lidsje is óut (Kortessem), zijn metier is stilgevallen: = slinger, tikker, wekker  zenne metùir is stilgevalle (Kortessem), zijn slinger ligt stil: zenne slienger lik stil (Kortessem) dood || dood (bn) || dood (bn.) || dood (overleden) || dood (zn.) || dood; ¯t kindje was - eer (dat) ze ¯t konden dopen [RND] || overleden III-2-2