| 20617 |
korst |
leste korst:
verzamelfiche, ook materiaal van ZND 01 (a-m vraag 23 a en b zijn samengevoegd.
leestə koast (P118p Kozen),
voorste korstje:
verzamelfiche, ook materiaal van ZND 01 (a-m vraag 23 a en b zijn samengevoegd.
jostə kuiskə (P118p Kozen)
|
eerste (verse) en laatste (oudbakken) korst van het brood [ZND 02 (1923)]
III-2-3
|
| 18013 |
kortademig |
dempig:
dempig (P118p Kozen)
|
hij is dempig (kan moeilijk ademen) [ZND 23 (1937)]
III-1-2
|
| 18287 |
korte broek |
korte broek:
kerte broek (P118p Kozen)
|
korte broek (hoe heet ...?) [ZND 22 (1936)]
III-1-3
|
| 26630 |
kortmeel |
kortmeel:
kǫtmiǝl (P118p Kozen)
|
Het op één na grofste produkt dat tijdens het builen wordt gescheiden. In volgorde van fijn naar grof is kortmeel grover dan kriel en fijner dan zemelen. Zie ook de toelichting bij de lemmata ɛbloemɛ, ɛboultéɛ, ɛkrielɛ en ɛzemelenɛ.' [JG 1a; JG 1b; Vds 249; Jan 244; Coe 221; Grof 248; N O, 38e]
II-3
|
| 20650 |
kotelet, ribstuk |
kotelet:
kotə’leͅtə (P118p Kozen)
|
koteletten [Goossens 1b (1960)]
III-2-3
|
| 18195 |
kous: algemeen |
kous:
kous (P118p Kozen),
kôs (P118p Kozen)
|
kous (bedekt de voet en het been tot vlak onder of tot boven de knie) [ZND 16 (1934)]
III-1-3
|
| 19621 |
kouter |
kouter:
kō.tǝr (P118p Kozen),
kǫltǝr (P118p Kozen)
|
Het lange smalle mes dat (achter de voorschaar) aan de ploegboom is bevestigd en dat bij het ploegen de voor vertikaal afsnijdt. [N 11, 31.I.c; N 11A, 85b; JG 1a + 1b; A 26, 4a; L 1 a-m; L 28, 40; Lu 4, 4a; S 19; monogr.]
I-1
|
| 32621 |
kraan van de metalen gierton |
kraan:
krǭǝ.n (P118p Kozen)
|
De kraan van de zinken gierton bestaat uit een korte, met een schuif of klep te sluiten buis, die van achteren voorzien is van of zich voortzet in een schuine of opgebogen lip of plaat. Als de kraan geopend is, stroomt de gier uit de ton tegen deze lip op waardoor zij zich in een wijde boog verspreidt. De in dit lemma opgenomen termen hebben achtereenvolgens betrekking op de kraan, het sluitstuk als geheel, het gierverspreidend onderdeel daarvan en de schuif of klep waarmee de kraan geopend en gesloten wordt. [JG 1a + 1b; N P, 6; N 11A, 54c; monogr.]
I-1
|
| 24196 |
kraanvogel |
krienekraan:
krienekraon (P118p Kozen),
krīnəkrōͅn (P118p Kozen),
kroenekraan:
krioenekranen (P118p Kozen)
|
kraanvogel [ZND 01 (1922)], [ZND 17 (1935)]
III-4-1
|
| 21342 |
krant |
gazet (<fr.):
gazet (P118p Kozen),
gəzĕt (P118p Kozen)
|
krant [ZND 17 (1935)]
III-3-1
|