| 22183 |
houtduif |
wilde duif:
doorgaans Frings, soms eigen spelling
wilde duif (K314p Kwaadmechelen)
|
houtduif (41 grootste en bekendste van het stel; wit aan nek en vleugels; broedt overal in bossen en tegenwoordig ook in dorp en stad; vaak in grote troepen [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 19552 |
houten lepel |
paplepel:
paplepel (K314p Kwaadmechelen),
pollepel:
pollepel (K314p Kwaadmechelen),
pollepel
pølēpəl (K314p Kwaadmechelen),
sauslepel:
suislepel (K314p Kwaadmechelen)
|
lepel, houten ~; inventarisatie benamingen (boterspaan); betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 34375 |
houten raamwerk |
jok:
jok (K314p Kwaadmechelen),
knietand:
knietand (K314p Kwaadmechelen)
|
Toestel van stokken vervaardigd dat men sommige dieren b.v. varkens om de hals doet om ze te beletten door hagen te breken. [L 36, 29; monogr.]
I-12
|
| 18355 |
houten sandaal |
flatser (<eng.):
vgl. Van Dale: flat (Eng.), 3. (dames)schoen met platte hak
fleͅtsərs (K314p Kwaadmechelen),
flètsers (K314p Kwaadmechelen)
|
sandaal-achtig voetbekleedsel bestaande uit een houten zool en enkele riempjes over de voet [triep, klepper] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 34367 |
houten stamper |
patattenstomper:
pǝtɛʔǝstompǝr (K314p Kwaadmechelen)
|
Houten stamper om aardappelen voor de varkens mee tot puree te stampen. [N 18, 133; N 18, 134; S 20, add.; monogr.]
I-12
|
| 32083 |
houtlijm |
houtlijm:
hø̜jtlęjm (K314p Kwaadmechelen)
|
In het algemeen de lijm waarmee houten delen met elkaar verbonden worden. Aanvankelijk moesten de ingrediënten van de houtlijm door de timmerman zelf worden vermengd en verwarmd. Later kwamen er soorten die met water aangemaakt konden worden. Als bestanddelen werden onder meer visafval en beenderen gebruikt. Houtlijm die verwarmd moest worden, werd in de vorm van platen en korrels verkocht. Zie ook afb. 150. [L 30, 26a; N 54, 1b-i; monogr.]
II-12
|
| 34595 |
houtrong |
ronblok:
rǫnblok (K314p Kwaadmechelen),
rongblok:
rǫŋblok (K314p Kwaadmechelen)
|
Werd vooraan op de hoogkar geplaatst wanneer men hout wilde vervoeren. De houtrong bestaat uit een rongblok, twee rongstokken en een raam. De twee rongstokken bevinden zich aan weerszijden van het rongblok; het rechthoekig of trapeziumvormig raam staat in het midden op het rongblok. Dit raam beschermt het paard tegen de druk van de lading, terwijl de rongen de lading op haar plaats houden. Hoewel bij heel wat opgaven een betekenisaanduiding gegeven wordt, is het vaak onduidelijk of twijfelachtig wat er precies bedoeld wordt, omdat sommige woordtypen zowel als benaming voor "houtrong in zijn geheel" als voor "rongblok" en "raam" voorkomen. Toch is hier gekozen voor een vierdeling van het lemma: de opgaven waarbij geen betekenisindicatie gegeven werd, zijn vooraan geplaatst; de opgaven waarbij die indicatie er wel was, zijn naargelang de betekenis ondergebracht onder A. de houtrong in zijn geheel, B. het rongblok of C. het raam. [N 17, 7a-b + 40 + add; JG 1b; JG 1c; JG 1d; JG 2c]
I-13
|
| 19629 |
houtskool |
houtskool:
hø̜̄tskōl (K314p Kwaadmechelen)
|
De verbrande houtresten. Deze worden bewaard ofwel onder de oven of buiten onder de oven of in een hoek van het bakhuis (Weyns 41). De as dient wel als weidebemesting of wordt rond salade, kolen en bonen gestrooid om de slakken ervan af te houden (Weyns 41). [N 29, 11a; OB 2, 2b; OB 2, add.; OB 2, 2f; monogr.]
II-1
|
| 24170 |
houtsnip |
snep:
doorgaans Frings, soms eigen spelling
sneͅp (K314p Kwaadmechelen)
|
houtsnip (34 grote uitgave van watersnip [116], maar dan bosvogel; meest op trek; ook zeldzame broedvogel; roep in de lente [tsp...wok, wok, wok]; jachtvogel [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 19476 |
houtspaander |
bolster:
geen houten spaantje maar ontschilde kempstekken
bolsters (K314p Kwaadmechelen)
|
spaantje van hout waarmee men vuur neemt uit de kachel of de haard, bijv. om een pijp op te steken (servieskes) [N 20 (zj)]
III-2-1
|