| 33137 |
kopdorser |
kopdorser:
kǫp˱dø̜sǝr (K314p Kwaadmechelen)
|
Bij deze vroege gemotoriseerde dorsmachine werden de schoven met de aren (de kop van de schoof) naar voren in de machine geschoven. Het eigenlijke dorsen gebeurde in een trommel met ijzeren pinnen of tanden die doet denken aan een hekel. Zie afbeelding 12. [N 14, 6a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 24193 |
koperwiek |
koperwiek:
doorgaans Frings, soms eigen spelling
kopərwik (K314p Kwaadmechelen)
|
koperwiek (21 lijkt op zanglijster [019], maar met rossige plek op zij en vleugel; alleen op trek en s winters, meestal in grote troepen; roep schril [srieieieie]; zachte zang [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 19582 |
kopje |
jatte (fr.):
zjat (K314p Kwaadmechelen),
tasje:
tasjə (K314p Kwaadmechelen)
|
een kopje met een schoteltje [ZND 34 (1940)] || kopje, tas [ZND 28 (1938)]
III-2-1
|
| 33987 |
kopnet |
kopnet:
kǫpnęt (K314p Kwaadmechelen),
kopstuk:
kǫpstøk (K314p Kwaadmechelen)
|
Vliegennet dat alleen over het hoofd van het paard wordt gehangen. [JG 1a, 1b; N 13, 83a]
I-10
|
| 32684 |
koppelhaak, koppelketting |
draal:
drǭl (K314p Kwaadmechelen
[(aan haak)]
),
haak:
hǭk (K314p Kwaadmechelen
[(met draaibout)]
),
trekhaak:
trękhǭk (K314p Kwaadmechelen)
|
De in dit lemma verenigde termen betreffen het verbindingsstuk ( + evt. onderdelen) tussen het zwenghout van het trekdier en de kam of stelboog. Dat was meestal - en vooral bij de oude voetploeg - een korte ketting met een haak aan de uiteinden. Vaak echter bestond dit koppelstuk uit twee haken, twee ringen of een haak en een ring die onderling door een draaihaak verbonden waren, of kon volstaan worden met een haak, een open schakel of een ring zonder meer. Bij de latere ijzeren wentelploeg met voorkar kon het zwenghout rechtstreeks aan de haak van de stelboog worden vastgemaakt. Sommige opgaven benoemen dan ook de vaste haak die deel uitmaakt van de grindelstang ofwel de tot de breedteregeling behorende beweegbare haak. De bovengenoemde of een daarop gelijkende ketting werd - en enkele van de onderstaande termen wijzen daar al op - eveneens gebruikt om de eg met het zwenghout te verbinden. Men zie daarom ook het lemma Egketting ca. [JG 1b + 1e + 2c; JG 2b-4, 2c; N 11, 35; N 11 A, 95b + 99c]
I-1
|
| 19325 |
koppig |
dwars:
dwēi̯ǝs (K314p Kwaadmechelen),
steeg:
stēx (K314p Kwaadmechelen)
|
[JG 1a; A 48A, 41a; N 8, 64h]
I-9
|
| 33929 |
kopriem |
kopriem:
kǫprīm (K314p Kwaadmechelen)
|
Evenals bij de halster is er aan het hoofdstel een kopriem. Bij de halster ligt de kopriem achter de oren van het paard, waar hij bij het hoofdstel vóór de oren over het voorhoofd van het paard loopt. Bij enkele opgaven is het vaak niet uit te maken of het om de vorm kieuwriem of kiefriem gaat. Gekozen werd voor de vorm kief. [JG 1a; N 13, 25]
I-10
|
| 33964 |
kordeel, hotlijn |
kordeel:
kǝrdiǝl (K314p Kwaadmechelen)
|
Riem die of touw dat aan de korte teugel (cf. lemma Loenje) is vastgemaakt en door de voerman in de hand gehouden wordt. Als de voerman aan die lijn trekt, draait het paard naar links (haar), als hij er zachte rukjes aan geeft, draait het paard naar rechts (hot). Meestal wordt de gewenste richting van het paard echter vooral met commando''s aangegeven. [JG 1a, 1b; N 13, 29 en 32]
I-10
|
| 20109 |
korenbloem |
korenbloem:
kōǝrǝblūm (K314p Kwaadmechelen)
|
Centaurea Cyanus L. Een niet meer zo algemeen voorkomende plant met blauwe bloemen, een spinselachtig behaarde stengel en dunne lancetvormige bladeren, die groeit in korenvelden, op zandgronden en in bermen. De plant bloeit van juni tot augustus en varieert in hoogte van 30 tot 60 cm. [A 13, 14; L 34, 31; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 33092 |
korenmijt zetten |
tassen:
tasñ (K314p Kwaadmechelen),
zetten:
zętǝ (K314p Kwaadmechelen)
|
Het maken van de korenmijt. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Het object van de overgankelijke werkwoorden is steeds: een korenmijt, of, kortweg, koren. [N 15, 44; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|