| 33550 |
sla, algemeen |
salade:
səlōͅt (K314p Kwaadmechelen)
|
[Goossens 1b (1960)]
I-7
|
| 17870 |
slaan |
slaan:
paës en blaat geslaogen (K314p Kwaadmechelen),
pīəs ɛm blāt Xəslōgn (K314p Kwaadmechelen)
|
bont en blauw geslagen [RND] || ze hebben hem paars en blauw geslagen (de echte dialectische uitdrukking opgeven) [ZND 40 (1942)]
III-1-2
|
| 17744 |
slaap |
slaap:
sloͅp (K314p Kwaadmechelen)
|
slaap [N 10b (1961)]
III-1-1
|
| 24818 |
slaapbol |
olie:
ø.lə (K314p Kwaadmechelen)
|
Papaver somniferum L. [DC 48 (1973)]
III-4-3
|
| 18596 |
slaapmuts |
slaapkoof:
slapkuəf (K314p Kwaadmechelen),
slaapmuts:
sloͅpmøts (K314p Kwaadmechelen)
|
slaapmuts [pietermöts [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 20303 |
slabbetje, spuugdoekje |
bavetje:
baveͅdə`ə (K314p Kwaadmechelen),
tipdoekje:
tøp(nøz)dukskə (K314p Kwaadmechelen),
zabberlap:
cf. Tuerlinckx s.v. "zabberen"; cf. Weijnen Etym. Dialectwb. s.v. "zabben
žabərlap (K314p Kwaadmechelen),
zabberlapje:
žabərleͅpkə (K314p Kwaadmechelen)
|
doek, witte ~ die men het kind als een schortje voor de borst speldt [speet, spit] [N 25 (1964)] || slabje, morsdoekje voor kinderen [slabbertje, slabberlepke, zeiverlepke, slepke, bavet(sje) [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 25342 |
slachten |
slachten:
sláxtǝ (K314p Kwaadmechelen)
|
Doden van vee met de bedoeling het als voedsel te gebruiken. Wat het woordtype "dooddoen" betreft, merken verschillende informanten (in K 353, P 50, P 177, P 179, P 180, P 185) op, dat het verouderd is. [JG 1a + 1b + 2c: R 14, 231 add.; S 33; monogr.]
II-1
|
| 17871 |
slag |
mots:
mots (K314p Kwaadmechelen),
slag:
Gemeen
slag op z`n bakkes (K314p Kwaadmechelen)
|
hoe heet een slag op de kaak ? Geef aan welke woorden gemeenzaam of plat zijn. [ZND 36 (1941)]
III-1-2
|
| 34594 |
slaghout |
slaghout:
slaxhø̜t (K314p Kwaadmechelen)
|
Het losse houten, soms draaibare balkje onder de slagkar dat dient om de bak vast te zetten en te voorkomen dat hij onverwacht kipt. Dit balkje moet weggenomen of -gedraaid worden eer men de bak kan doen kippen. Er zijn verschillende soorten vergrendelingen: 1. een balkje dat onder de berries door wordt geschoven in twee krammen die onderaan in de draagbomen van de kar zijn bevestigd; 2. een balkje dat in het midden doorboord is en onderaan in het midden van een van de voorste scheien van de karbak vastgemaakt is. Het kan onder de bak gedraaid worden en vastgezet in de twee haken onderaan de draagbomen van de bak; 3. het balkje kan ook boven de berries en de draagbomen op de schoot van de kar aangebracht worden. [N 17, 20; N G, 56f]
I-13
|
| 24375 |
slak |
slak:
sleͅk (K314p Kwaadmechelen)
|
slak, alg. [ZND A1 (1940sq)]
III-4-2
|