| 19521 |
soepterrine |
soepterrine:
soͅpt(ə)ren (K314p Kwaadmechelen)
|
soepterrine [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 20512 |
soepvlees |
soepvlees:
soͅp˃vlīəs (K314p Kwaadmechelen)
|
soepvlees; Hoe noemt U: Mager vlees om soep van te koken (boelie, bouilli, soepvlees) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 18196 |
sok |
sok:
zok (K314p Kwaadmechelen),
zoͅk (K314p Kwaadmechelen)
|
sok, korte herenkous [zok, vlink, vlik, ene zök] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18338 |
sokophouder |
jarretelle (fr.):
jarteͅl (K314p Kwaadmechelen),
jartèl (K314p Kwaadmechelen),
jərteͅl (K314p Kwaadmechelen)
|
sokophouder, band om de kuit [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21287 |
soldaat |
soldaat:
suḷdo.t (K314p Kwaadmechelen)
|
soldaat [RND]
III-3-1
|
| 20724 |
soldaatjes |
geroosterd:
Syst. IPA
gərø̞stərt (K314p Kwaadmechelen)
|
Stukjes geroosterd of in boter of vet gebakken brood (krepkes?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 21289 |
soldaten |
soldaten:
de soldouten məttən groeten (K314p Kwaadmechelen),
suldu.tn (K314p Kwaadmechelen)
|
De soldaten moeten groeten (met de hand aan de muts) [ZND 32 (1939)] || soldaten [RND]
III-3-1
|
| 32576 |
soorten van dierlijke mest |
koemest:
ku ̞i̯[mest] (K314p Kwaadmechelen),
paardsmest:
pęts[mest] (K314p Kwaadmechelen),
schapemest:
sxǭpǝ[mest] (K314p Kwaadmechelen)
|
De termen voor de verschillende soorten van dierlijke mest zijn op deze plaats in een lemma verenigd, omdat er (met name door N 11 en N 11A) in het kader van de bemesting van akker en weide naar werd geïnformeerd. Ze zouden evengoed passen in de sfeer van het uitmesten van de stallen en de mestbereiding, ook al kan men voor bepaalde gewassen de akker het best bemesten met de mest van een bepaalde veesoort en zal men in de mestvaalt sommige soorten dierlijke mest afzonderlijk verzamelen. In sommige plaatsen wordt naast of in plaats van (stal)mest het woordtype koestalmest of koemest gebruikt ter aanduiding van natuurlijke mest. Dat is niet verwonderlijk wanneer men bedenkt dat op de boerderij de meeste mest geproduceerd wordt door de koeien. In dit lemma zijn geen benamingen opgenomen, die specifiek zijn voor de uitwerpselen van de genoemde diersoorten. Voor de plaatselijke varianten van -[mest [JG 1a + 1b add.; A 9, 24 + 25; N 11, 27; N 11A, 5a t /m f; N M, 10a + b add.; L 20, 22f; A 4, 22f]
I-1
|
| 33224 |
sorteermachine |
patattenzift:
pǝtɛʔǝzeft (K314p Kwaadmechelen)
|
Het toestel bestaande uit enkele schuddende zeven met gaten van verschillende afmetingen waar de aardappelen overheen worden geleid en naar grootte gesorteerd. [N 12, 32]
I-5
|
| 33222 |
sorteren met de hand |
uitrapen:
ø̜trǭpǝ (K314p Kwaadmechelen)
|
Vroeger werden vaak de grote van kleine aardappelen gescheiden bij het rapen zelf op het veld; zie de toelichting bij het lemma Aardappelmand. Tegenwoordig worden de aardappelen op de boerderij gesorteerd; niet meer met de hand maar met een sorteermachine. Zie het lemma Sorteermachine. [N 12, 31; JG 1a, 1b gedeeltelijk, 1c, 2c; monogr.]
I-5
|