| 33223 |
sorteren met de machine |
ziften:
zeftǝ (K314p Kwaadmechelen)
|
Zie de toelichtingen bij de lemmaɛs Sorteren Met De Hand en Sorteermachine. [N 12, 33]
I-5
|
| 34576 |
spaak |
gekloven speek:
gǝklōvǝ spiǝk (K314p Kwaadmechelen),
gezaagde speek:
gǝzǫx˱dǝ spiǝk (K314p Kwaadmechelen),
speek:
spiǝk (K314p Kwaadmechelen),
speken:
spiǝʔǝ (K314p Kwaadmechelen)
|
Elk van de houten staven die de verbinding vormen tussen de velg van het wiel en de naaf. Afhankelijk van de omtrek van het wiel zijn er tien tot zestien spaken. Er zijn twee soorten spaken: ronde en platte. Voor zover ze specifieke benamingen krijgen, worden ze behandeld onder A resp. B. [N 17, 61a-b + 62a-b; N 18, 99; N G, 44a; JG 1a; JG 1b; JG 2b; S 34; A 4, 20b; L 20, 20b; L 7, 13; monogr.]
I-13
|
| 32750 |
spade, spitschop |
schup:
sxøp (K314p Kwaadmechelen)
|
Een schop met een vlak blad, dat min of meer in het verlengde van de steel geplaatst is. Deze schop wordt gebezigd voor het omspitten van de wendakkerhoeken, een lapje grond, de tuin e.d. Al naar gelang de streek en de ervaring is het blad van de spade hartvormig, trapeziumvormig of rechthoekig. Voor het tweede lid van de varianten van samenstellingen zie men het simplex schup verderop in het lemma. [N 11A, 147; N 18, 1 + 2 + 5 + 14; JG 1a + lb; L 7, 15; L 42, 40; Wi 5; Gwn 8, 2; GV, K 7; monogr.; div.]
I-1
|
| 33743 |
spanstokje |
trekpaal:
trɛkpǭl (K314p Kwaadmechelen)
|
Stok of paaltje in de afrasteringsdraad waarmee men die draad spant. [N 14, 65]
I-8
|
| 24618 |
spar |
spar:
IPA, omgesp.
spar (K314p Kwaadmechelen)
|
De spar (i.h.b. de fijnspar, zilverspar) (spar, mast). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33904 |
spat |
hardspat:
hartspat (K314p Kwaadmechelen),
koespat:
kui̯spat (K314p Kwaadmechelen),
spat:
spat (K314p Kwaadmechelen)
|
Er zijn verschillende soorten spat. Een beenwoekering aan de voorknie, soms ter grootte van een vuist, noemt men voorkniespat, een harde verdikking aan de onder- of binnenzijde van het spronggewricht spat. De ziekte is ongeneeslijk en veroorzaakt veelal kreupelheid. Zie ook het lemma ''bolspat'' (7.27). Zie afbeelding 19. [A 48A, 54f; N 8, 90d, 90f, 90g en 90j]
I-9
|
| 20770 |
speculaas |
speculaas:
speʔəlōͅs (K314p Kwaadmechelen)
|
speculaas [N 29 (1967)]
III-2-3
|
| 25650 |
speculaasplank |
speculaasvorm:
spe?ǝlǭsførm (K314p Kwaadmechelen)
|
De houten koekvorm waarin het deeg voor speculaas wordt gedrukt. [N 29, 90; monogr;]
II-1
|
| 17694 |
speeksel uitspuwen |
spuwen:
spi.vən (K314p Kwaadmechelen),
tuffen:
tuffen (K314p Kwaadmechelen)
|
(speeksel uit)spuwen [RND] || spuwen: speeksel uitspuwen [spiertse, spaowe, tuffe, spuige, speken] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 22384 |
speelkaart |
kaart:
ən kò:ət (K314p Kwaadmechelen)
|
Een kaart. [ZND A1 (1940sq)]
III-3-2
|