| 17625 |
verstandskies |
wijsheidstand:
weͅsheͅtstant (K314p Kwaadmechelen)
|
verstandskies (wijsheidstand) [N 10b (1961)]
III-1-1
|
| 33394 |
verstelbaar luik boven de varkenstrog |
val:
val (K314p Kwaadmechelen)
|
Boven de varkenstrog bevond zich vaak een verstelbaar voerluik. In L 360 kende men geen luik maar een scherm in de vorm van een rechtopstaande plank. [N 5A, 60e]
I-6
|
| 22349 |
verstoppertje spelen |
verstoppertje spelen:
/
verstopperke (K314p Kwaadmechelen)
|
/ [SND (2006)]
III-3-2
|
| 33454 |
vertikale paal in een poort |
melger:
milǝgǝr (K314p Kwaadmechelen),
męlǝgǝr (K314p Kwaadmechelen),
stijp:
stip (K314p Kwaadmechelen),
stijpel:
stepǝl (K314p Kwaadmechelen)
|
Een rechtstaande, uitneembare paal in het midden van een poort, waartegen de beide poortvleugels gesloten kunnen worden. Deze paal is aan de bovenzijde meestal verankerd achter een gebogen stuk ijzer, aan de onderzijde in een gat. De paal wordt weggenomen als de poort helemaal geopend moet worden. De paal is onbekend in een groot aantal plaatsen. Door functionele overeenkomst kunnen de benamingen ook wel gebruikt worden voor andere soorten sluitbalken (zie deze lemmata). Zie ook afbeelding 18.g bij het lemma "poort" (4.1.1). [N 4A, 42e; N 5, 104; A 49, 4; add. uit N 5A, 93c]
I-6
|
| 34290 |
vertuieren |
hoeden:
hyǝn (K314p Kwaadmechelen),
tuieren:
tøi̯ǝrǝ (K314p Kwaadmechelen),
tø̜i̯ǝrǝn (K314p Kwaadmechelen)
|
Het verplaatsen van het vee, telkens wanneer een stuk wei is afgegraasd. [L 40, 21b; monogr.]
I-11
|
| 24497 |
verwelken |
verslakkeren:
IPA, omgesp.
vərslaʔərə (K314p Kwaadmechelen)
|
Slap worden en geur en kleur verliezen, gezegd van bloemen (Slekkeren, verwelken, verflensen). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24555 |
verwelkt |
verslakkerd:
IPA, omgesp.
vərslaʔərt (K314p Kwaadmechelen)
|
Verwelkt, gezegd van bloemen (pens). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 23312 |
vespers |
vespers (<lat.):
də vɛspərs (K314p Kwaadmechelen)
|
de vespers [RND]
III-3-3
|
| 18277 |
vest |
gilet (fr.):
žəle (K314p Kwaadmechelen),
ziep:
ouder. WNT: ziep (I), 1) Vest, kort wambuis, inz. ter aand. van een door boeren gedragen kort vest met mouwen en zonder slippen.
žip (K314p Kwaadmechelen)
|
herenvest zonder mouwen met knopen [wes, west, weemeske, kolder, kamezool, zjielle, ziep, sentje [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18533 |
vestzakje |
giletbuideltje (<fr.):
žəlebul’jə (K314p Kwaadmechelen)
|
vestzakje [ziepzekse, weemesteske, vestjestes] [N 23 (1964)]
III-1-3
|