| 31180 |
koperslager |
koperslager:
kōpǝrslāgǝr (Q088p Lanaken)
|
Ambachtsman die koperen voorwerpen vervaardigt voor huishoudelijk gebruik. Zie ook de paragraaf over de koperslager. Het woord ɛpompenmakerɛ werd in Venray (L 210) en omstreken ook gebruikt voor een loodgieter. Vgl. het lemma "loodgieter".' [N 66, 54a; L 34, 17a-b; Wi 2 add.; monogr.]
II-11
|
| 31193 |
koperslagerij |
werkhuis:
wē̜rkǝs (Q088p Lanaken)
|
Werkplaats van een koperslager. [N 66, 54d; monogr.]
II-11
|
| 31182 |
koperslagersknecht |
gast:
gas (Q088p Lanaken)
|
[N 66, 54f]
II-11
|
| 28871 |
kopieerwieltje |
roulette:
rulęt (Q088p Lanaken)
|
Een scherp getand wieltje aan een handvat om patronen uit te raderen. Zie afb. 5. [N 59, 4]
II-7
|
| 19582 |
kopje |
bak:
bak (Q088p Lanaken),
bakje:
klein tasje
beͅkskə (Q088p Lanaken),
jatte (fr.):
grote kop
zjat (Q088p Lanaken),
kop:
zonder oor
kop (Q088p Lanaken),
tas:
tas (Q088p Lanaken),
met oor
tas (Q088p Lanaken)
|
kopje, tas [ZND 28 (1938)]
III-2-1
|
| 22740 |
kopjeduikelen |
een buiteling maken:
ĕn buuteling maoke (Q088p Lanaken)
|
hij kan over zijn hoofd tuimelen (buitelen), een tuimeling maken [ZND 08 (1925)]
III-3-2
|
| 21944 |
koppel |
koppel:
kǫpǝl (Q088p Lanaken)
|
De twee bij elkaar horende molenstenen. [N O, 17b; Jan 118; Coe 95; Grof 113; N D, 5]
II-3
|
| 32684 |
koppelhaak, koppelketting |
haak:
hǭk (Q088p Lanaken)
|
De in dit lemma verenigde termen betreffen het verbindingsstuk ( + evt. onderdelen) tussen het zwenghout van het trekdier en de kam of stelboog. Dat was meestal - en vooral bij de oude voetploeg - een korte ketting met een haak aan de uiteinden. Vaak echter bestond dit koppelstuk uit twee haken, twee ringen of een haak en een ring die onderling door een draaihaak verbonden waren, of kon volstaan worden met een haak, een open schakel of een ring zonder meer. Bij de latere ijzeren wentelploeg met voorkar kon het zwenghout rechtstreeks aan de haak van de stelboog worden vastgemaakt. Sommige opgaven benoemen dan ook de vaste haak die deel uitmaakt van de grindelstang ofwel de tot de breedteregeling behorende beweegbare haak. De bovengenoemde of een daarop gelijkende ketting werd - en enkele van de onderstaande termen wijzen daar al op - eveneens gebruikt om de eg met het zwenghout te verbinden. Men zie daarom ook het lemma Egketting ca. [JG 1b + 1e + 2c; JG 2b-4, 2c; N 11, 35; N 11 A, 95b + 99c]
I-1
|
| 19325 |
koppig |
koppig:
ook materiaal znd 28, 31
köppig (Q088p Lanaken),
kø͂ͅpəg (Q088p Lanaken)
|
koppig [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 33964 |
kordeel, hotlijn |
kordeel:
kǝrdil (Q088p Lanaken)
|
Riem die of touw dat aan de korte teugel (cf. lemma Loenje) is vastgemaakt en door de voerman in de hand gehouden wordt. Als de voerman aan die lijn trekt, draait het paard naar links (haar), als hij er zachte rukjes aan geeft, draait het paard naar rechts (hot). Meestal wordt de gewenste richting van het paard echter vooral met commando''s aangegeven. [JG 1a, 1b; N 13, 29 en 32]
I-10
|