| 26514 |
scheiplank |
plankje:
plɛ.ŋkskǝ (Q088p Lanaken),
schuif:
šø.̜jf (Q088p Lanaken),
schuifje:
šø̜jfkǝ (Q088p Lanaken)
|
Het plankje dat in de meelbak geplaatst wordt om het meel op te houden wanneer van zak verwisseld wordt. In sommige molens is aan de scheiplank een stok bevestigd die tot op de steenzolder reikt, zodat de molenaar vandaaruit kan scheiden. Zie ook afb. 83 en 84. [N O, 24d; A 42A, 42; Vds 165; Jan 171; Coe 156; Grof 187]
II-3
|
| 25023 |
schemering, valavond |
schemer:
schɛ̄mer (Q088p Lanaken)
|
Hoe heet de schemering (de tijd voor het donker wordt) ? [ZND 42 (1943)]
III-4-4
|
| 20510 |
schenkel |
hammetje:
hɛmkə (Q088p Lanaken)
|
schenkel [Goossens 1b (1960)]
III-2-3
|
| 26652 |
schep |
schup:
šø̜p (Q088p Lanaken)
|
De schep waarmee het scheploon genomen werd. De schepper die men in l 415 gebruikte, was een maat die geijkt moest worden. In Q 99* was geen schep aanwezig; de molenaar nam 5 kg per 100. [N O, 38j; Jan 268 add.; Coe 253 add.; Grof 292; monogr.]
II-3
|
| 26651 |
schepmeel |
schepmeel:
šø̜pmē.l (Q088p Lanaken)
|
De hoeveelheid meel die de molenaar mocht scheppen. In Belgisch Limburg maakten slechts weinig informanten onderscheid tussen stofmeel en schepmeel. De meeste molenaars telden beide samen, zodat ze één grotere hoeveelheid kregen die ze voor zichzelf mochten afhouden. De overkoepelende benaming was in zoɛn geval stubmeel. Het woordtype stubmeel komt behalve in dit lemma dan ook voor in het lemma ɛstuifmeel, stofmeelɛ.' [Vds 169; Jan 270; Coe 252; Grof 291]
II-3
|
| 17829 |
scheppen |
molsteren:
mǫlstǝrǝ (Q088p Lanaken),
scheppen:
sjɛppen (Q088p Lanaken),
šø͂ͅppə (Q088p Lanaken),
šø̜pǝ (Q088p Lanaken
[(1/2 kg/100)]
),
te veel scheppen:
tǝ vø̜̄.l šø̜pǝ (Q088p Lanaken)
|
Maalloon scheppen met behulp van de schep. Het aantal kiloɛs dat per 100 kg mocht worden geschept, is, voorzover opgegeven, achter de betrokken plaatsnummers vermeld. Zie ook het lemma ɛmaalloon, maalgeldɛ. In l 270 was het scheppen tot rond 1910 gebruikelijk.' [N O, 38i; JG 1b; Vds 170; Jan 268; Coe 253; Coe 256; monogr.; A 42A, 48] || scheppen [ZND 25 (1937)]
II-3, III-1-2
|
| 18298 |
scheren |
scheren:
schêire (Q088p Lanaken)
|
scheren [inf.] [ZND 06 (1924)]
III-1-3
|
| 27015 |
scherp zetten |
scherpmaken:
šɛ.rap mǭ.kǝ (Q088p Lanaken)
|
Een paard van winterbeslag voorzien. Onder het hoefijzer worden dan al dan niet verwisselbare kalkoenen aangebracht en onder de voorzijde wordt een metalen plaatje bevestigd, de stoot. Zie ook de lemmata ɛijsnagelsɛ, ɛstootɛ enɛkalkoenen, krammenɛ.' [JG 1a; JG 1b; N 100, 17, add.; monogr.]
II-11
|
| 26566 |
scherpen |
scherpen:
šɛ̄.rǝpǝ (Q088p Lanaken)
|
Het maalvlak van molenstenen scherp maken. Door de onduidelijke vraagstelling van vraag N o, 34a (ø̄Hoe noemt u het aanbrengen van groeven in de stenen?ø̄) is een aantal opgaven mogelijk ook van toepassing op het aanbrengen van een geheel nieuw scherpsel op een (nieuwe) molensteen. Zie voor de meer specifieke handelingen bij het scherpen de lemmata ɛuithalenɛ, ɛbreed scherpenɛ, ɛhol scherpenɛ etc.' [N O, 34a; Sche 61; Vds 198; Jan 194; Coe 159; Grof 192; A 42A, 29 add.; N D, 33; N D, add.; monogr.; A 42A, 33 add.]
II-3
|
| 26569 |
scherprij |
rij:
rɛj (Q088p Lanaken)
|
Lange, rechte houten of stalen lineaal die wordt gebruikt om te bepalen waar de steen arm of rijk is. De molenaar kan daartoe kleurstof op de rij aanbrengen die, als hij ermee over het maalvlak wrijft, de te hoge gedeelten van de steen aanduidt. [N O, 34i; Vds 220; Jan 196; Coe 168; Grof 201]
II-3
|