| 18604 |
korset |
korset (<fr.):
kərset (L422p Lanklaar)
|
korset, rijglijf om de taille [rijlief, rellif, relf, ruls, stiklijst, stiflijk] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 20617 |
korst |
droog korstje:
verzamelfiche, ook materiaal van ZND 01 (a-m vraag 23 a en b zijn samengevoegd.
dauuəg keursje (L422p Lanklaar),
vers korstje:
verzamelfiche, ook materiaal van ZND 01 (a-m vraag 23 a en b zijn samengevoegd.
veeəskeursje (L422p Lanklaar)
|
eerste (verse) en laatste (oudbakken) korst van het brood [ZND 02 (1923)]
III-2-3
|
| 18361 |
kort onderrokje |
kort schortje:
koͅrt šoͅrtjə (L422p Lanklaar)
|
onderrokje, kort ~ [piszieëlke, poeprökske] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18330 |
kort schortlint |
gatlint:
yātleŋtər (L422p Lanklaar)
|
linten, korte ~ waarmee de schortslippen van achteren met elkaar worden verbonden [gatslinte, gatlinter] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18013 |
kortademig |
dempig:
dempig (L422p Lanklaar),
deͅmpix (L422p Lanklaar)
|
dempig [ZND 01 (1922)], [ZND m]
III-1-2
|
| 18287 |
korte broek |
korte broek:
kortə brōk (L422p Lanklaar),
koͅrtə brōk (L422p Lanklaar)
|
broek, korte (jongens)~ die de knieën onbedekt laat [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18216 |
korte laars |
beenkap:
bēͅinkap (L422p Lanklaar),
hoge schoen:
-> ei paar hoeg choon.
hoege schoon (L422p Lanklaar)
|
laars met een korte schacht die tot aan de kuit reikt [N 24 (1964)] || Laars, een paar laarzen (laars die alleen het been bedekt tussen enkel en knie) [ZND 37 (1941)]
III-1-3
|
| 18600 |
korte onderbroek? |
korte onderboks:
kortə o͂ͅndərbo͂ͅks (L422p Lanklaar)
|
onderbroek, korte ~ [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18562 |
korte overjas |
jekker:
jekər (L422p Lanklaar),
stoep:
stup (L422p Lanklaar),
stûp (L422p Lanklaar)
|
overjas, korte ~ [jekker, joep, stoep, baadje] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 26630 |
kortmeel |
kortmeel:
kǫrtmę̄l (L422p Lanklaar)
|
Het op één na grofste produkt dat tijdens het builen wordt gescheiden. In volgorde van fijn naar grof is kortmeel grover dan kriel en fijner dan zemelen. Zie ook de toelichting bij de lemmata ɛbloemɛ, ɛboultéɛ, ɛkrielɛ en ɛzemelenɛ.' [JG 1a; JG 1b; Vds 249; Jan 244; Coe 221; Grof 248; N O, 38e]
II-3
|