| 27864 |
schiettoestel |
appareil:
appareil (L422p Lanklaar
[(Eisden)]
[Emma, Hendrik, Wilhelmina])
|
Dynamo die de elektrische stroom levert voor het tot gloeien brengen van het gloeidraadje in de ontsteker. De elektrische stroom wordt via kabels van het schiettoestel naar de ontstekers gevoerd. Door de onduidelijke vraagstelling van vraag N 95, 409 ("Hoe noemt u een schietdoos of ontstekingsapparaat") is het mogelijk dat een aantal dialectvarianten die onder het woordtype schietdoos zijn opgenomen, eigenlijk van toepassing zijn op de blikken doos waarin de patronen van het springstoffenmagazijn naar de werkpunten vervoerd werden (zie het lemma Schietdoos). [N 95, 409; N 95, 418; monogr.]
II-5
|
| 20687 |
schijf braadspek |
braai:
broͅjə (L422p Lanklaar),
spekbraai:
(m.). mv.: {(~)br‹j\\}.
(spɛk)brōͅj (L422p Lanklaar)
|
schijf braadspek [Goossens 2c (1963)] || Stuk gebraden spek (spekbraoj, braoj?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34271 |
schijten |
kakken:
kakǝ (L422p Lanklaar),
schijten:
ši.tǝ (L422p Lanklaar)
|
Vaste ontlasting hebben, gezegd van vee. [JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 30196 |
schild |
schild:
šelt (L422p Lanklaar)
|
Elk van de twee driehoekige dakzijden van een schilddak. [N 4A, 23b; N 32, 48 add.]
II-9
|
| 30195 |
schilddak |
schilddak:
šelt˱dāk (L422p Lanklaar)
|
Dak bestaande uit vier schilden. Een schilddak kent dus geen topgevels. Zie ook afb. 48a-b. [N 4A, 24a; div.]
II-9
|
| 19765 |
schilderij |
schilderij:
šildəreͅi̯ (L422p Lanklaar)
|
schilderij [ZND 06 (1924)]
III-2-1
|
| 19532 |
schilmesje, aardappelmesje |
aardappelenmes:
ɛ̄rpələmɛs (L422p Lanklaar),
aardappelenmesje:
ēərpələmɛskə (L422p Lanklaar)
|
mes waarmee aardappelen worden geschild [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 21086 |
schimmel |
schimmel:
šømǝl (L422p Lanklaar)
|
Paard met een geheel of overheersend witte of grijsachtige vacht. Naarmate de leeftijd vordert, neemt het wit toe; schimmels worden niet geboren, ze ontstaan mettertijd. De vosschimmel is wit met rode of bruinachtige vlekken. [JG 1a, 1b; N 8, 63a en 63b; S 31]
I-9
|
| 24491 |
schimmel (plantje) |
schimmel:
šümmël (L422p Lanklaar)
|
schimmel [ZND 06 (1924)]
III-4-3
|
| 21244 |
schip |
schip:
schèep, scheipen (L422p Lanklaar),
siəp, twie siəpə (L422p Lanklaar),
šeeëp, twieë šeeëp, klèj šeeëpkë (L422p Lanklaar),
ə šep, twī šep (L422p Lanklaar)
|
een schip, twee schepen [ZND 42 (1943)], [ZND A2 (1940sq)] || Een schip, twee schepen, een klein scheepje. [ZND 06 (1924)]
III-3-1
|