| 22685 |
waldhoorn |
schalmei:
schalmei (K317p Leopoldsburg)
|
Een muziekinstrument van opgerolde schors [toethoren, schalmei, waldhoren, fop, neppen, schermenei]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|
| 19477 |
walm |
walm:
walm (K317p Leopoldsburg)
|
dikke vettige damp of rook (walm, kwalm, blaak, zwalm, galm) [N 90 (1982)]
III-2-1
|
| 17929 |
wandelen |
wandelen:
wandələ (K317p Leopoldsburg)
|
Wandelen: gemakkelijk en zonder zich in te spannen gaan (wandelen, kuieren, kachelen, tuinen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24346 |
wandluis |
wandluis:
wantlø͂ͅs (K317p Leopoldsburg),
fon. var. van "wandluis"niet overgenomen
wanluis (K317p Leopoldsburg)
|
wandluis [ZND 34 (1940)] || wandluis, weegluis, het platte bloedzuigende insect dat zich overdag schuilhoudt in naden en spleten van houten vloeren enz. [wanlöws, platte pose, bertelemees] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 17755 |
wang |
kaak:
ko.k (K317p Leopoldsburg),
koak (K317p Leopoldsburg),
wang:
waŋ (K317p Leopoldsburg)
|
Welk woord gebruikt men in Uw dialect om de vlezige zijkant van het gezicht aan te duiden? Hoe spreekt men het uit? [Lk 05 (1955)]
III-1-1
|
| 18943 |
wangedrag |
slecht gedrag:
slecht gedrag (K317p Leopoldsburg)
|
een zeer slecht gedrag [gebrak, walebakkerij] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18268 |
want |
want:
wanten (K317p Leopoldsburg, ...
K317p Leopoldsburg)
|
wanten of handschoenen die de vingers onbedekt laten [meténtjes] [N 23 (1964)] || wanten, met duim maar zonder vingers [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 21743 |
wapen |
wapen:
wapen (K317p Leopoldsburg)
|
een voorwerp dat bestemd is om iemand letsel toe te brengen of zich ermee te verdedigen [wapen, wapie] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21741 |
wapenschild |
schild:
schild (K317p Leopoldsburg)
|
een bord waarop een wapen [bijv. van een legeronderdeel] geschilderd is [schild, wapie] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 19714 |
wasbord |
wasplank:
wasplank (K317p Leopoldsburg)
|
de plank waarover gegolfd zink geslagen is, waarop men vuil goed wast (troffel, roefel, wasbord) [N 90 (1982)]
III-2-1
|