| 24913 |
broekland, moeras |
laagkot:
liəxkoͅtə (K317p Leopoldsburg),
moeras:
muras (K317p Leopoldsburg)
|
lager gelegen delen waarin steeds water staat (zomp, hult, del, vengat, kweb?) [N 27 (1965)] || moeras, de natte weke grond zonder behoorlijke afwatering (moer, ven, vuilnis, voelgebreutenis?) [N 27 (1965)]
III-4-4
|
| 18423 |
broekspijp |
broekspijp:
broekspijpen (K317p Leopoldsburg)
|
pijpen van een broek [bokspijpe, broeksepejpe] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18309 |
broeksriem |
broeksband:
broeksband (K317p Leopoldsburg)
|
band of riem waarmee de broek in de taille wordt opgehouden [boekreem, boekband, boksemband] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18397 |
broeksriem? |
riem:
Rī.m (K317p Leopoldsburg)
|
riem [ZND A2 (1940sq)]
III-1-3
|
| 18551 |
broekzak achter |
achterzak:
achterzak (K317p Leopoldsburg)
|
zak aan de achterkant van de broek [konttes, votteske] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18549 |
broekzak opzij |
broekzak:
broekzak (K317p Leopoldsburg)
|
broekzak opzij [broeksebuil, boksetes, boksenbool, venget] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33900 |
brokkelhoef |
sprokvoet:
sprǫkvut (K317p Leopoldsburg)
|
Een hoef met wanden die zeer bros zijn en gemakkelijk afbrokkelen. In de hoornwand zijn kloven. Als het paard moet beslagen worden, is het moeilijk de ijzers goed vast te nagelen. [N 8, 90u]
I-9
|
| 22586 |
bromtol |
muziekdop:
məzi.kdoͅp (K317p Leopoldsburg),
zingdop:
zingdop (K317p Leopoldsburg, ...
K317p Leopoldsburg),
ziŋdoͅp (K317p Leopoldsburg)
|
Hoe noemt (noemde) men de tol, die bij het ronddraaien een brommend geluid maakt, als deze van blik en bontgekleurd is? [Lk 03 (1953)] || Hoe noemt (noemde) men de tol, die bij het ronddraaien een brommend geluid maakt, als deze van hout en door een timmerman was gemaakt? [Lk 03 (1953)]
III-3-2
|
| 34141 |
bronstig op andere koeien springen |
lopig zijn:
luǝpex sen (K317p Leopoldsburg)
|
[N 3A, 9b]
I-11
|
| 33864 |
bronstig, van merries |
hengstig:
hɛŋstex (K317p Leopoldsburg)
|
Geslachtsdrift vertonend, gezegd van merries. Een hengstige merrie reageert op de aanwezigheid van de hengst met het optillen van de staart. Ze neemt herhaaldelijk een urirende houding aan, waarbij kleine hoeveelheden urine worden geloosd, terwijl de clitorisch ritmisch naar buiten wordt geperst. Bij de afwezigheid van de hengst zijn deze symptomen minder duidelijk of soms geheel afwezig. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; N 8, 42a en 44; N 8A, 2; monogr.]
I-9
|