| 34452 |
tepel van een geit |
deem:
dēm (L289b Leuken)
|
[L 49, 6c; A 30, 6c; Ge 1, 6c; monogr.]
I-12
|
| 34320 |
tepel, tet |
tepel:
tēpǝl (L289b Leuken)
|
Het afzonderlijk melkgevend orgaan van het varken of de tepel. [N 19, 19a; JG 1a, 1b; L 49, 6d; A 30, 6d; G 1, 6d; monogr.]
I-12
|
| 19554 |
theelepeltje |
eierlepel:
eierlepel (L289b Leuken),
theelepeltje:
tiélepelke (L289b Leuken)
|
lepel, metalen ~; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || theelepeltje (suikerlippelke) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19516 |
theepot |
theepot:
tiépot (L289b Leuken)
|
pot waarin thee wordt gezet [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19596 |
theezeefje |
zijertje:
zei̯ərkə (L289b Leuken)
|
zeefje
III-2-1
|
| 19781 |
thuis |
aan huis:
ān hū.s (L289b Leuken, ...
L289b Leuken),
thuis:
tū.s (L289b Leuken)
|
thuis
III-2-1
|
| 21611 |
tien-guldenstuk |
gouden tientje:
gouwe tientje (L289b Leuken)
|
tien-guldenstuk, een ~ [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 28806 |
tieretein |
tieretein:
tērtɛj (L289b Leuken)
|
Geweven stof met een linnen ketting en een wollen inslag (Van Dale, pag. 2912). [N 62, 98; N 62, 93a; N 62, 97; MW; monogr.]
II-7
|
| 24254 |
tjiftjaf |
ovenmannetje:
oeëvemen’ke (L289b Leuken)
|
tjiftjaf
III-4-1
|
| 24255 |
tochtig |
rits:
rets (L289b Leuken, ...
L289b Leuken)
|
Geslachtsdrift vertonend, gezegd van de geit. [N 19, 70b; N 77, 95; JG 1b; N C, 4c; S 52, L 378 add.; monogr.] || Geslachtsdrift vertonend, gezegd van het vrouwelijk schaap. [N 19, 70a; N C, 4b; JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-12
|