| 24897 |
schemeren |
schemeren:
schiemere (L211p Leunen),
Opm. dit is oud Venrays!
schieëmere (L211p Leunen)
|
schemeren
III-4-4
|
| 25023 |
schemering, valavond |
avondschemer:
aovendschiemer (L211p Leunen),
halfduister:
halfduuster (L211p Leunen),
schemer:
schiemer (L211p Leunen),
Opm. dit is oud Venrays!
schieëmer (L211p Leunen),
schemeravond:
schiemeraovend (L211p Leunen),
schemerduister:
schiemerduuster (L211p Leunen)
|
avondschemering, valavond || schemer, halfduister || schemeravond
III-4-4
|
| 20510 |
schenkel |
schenkel:
schaenkel (L211p Leunen)
|
schenkel
III-2-3
|
| 30119 |
schenkel, formeel |
formeel:
fǫrmēǝl (L211p Leunen)
|
Doorgaans uit hout vervaardigde, tijdelijke ondersteuning voor een boog. De 'schenkel' bestaat uit twee van rondgezaagd hout vervaardigde schenkelstukken, die met spijkers op elkaar worden bevestigd. Zie ook afb. 32. Twee schenkels onderling verbonden met dunne latten van ongeveer 1 cm dikte noemt men een 'formeel'. Om gewelfkappen tussen ribben te vervaardigen, gebruikt men kleine, beweegbare formelen. Zie ook het lemma 'Troggewelf'. In L 210 werd een formeel toegepast bij bogen dikker dan 22 cm of bogen van 22 cm in kop-strekverband. [N 32, 18; N 54, 145a; monogr.]
II-9
|
| 19564 |
schenkkan |
karaf:
keráf (L211p Leunen)
|
karaf
III-2-1
|
| 26652 |
schep |
kop:
kǫp (L211p Leunen)
|
De schep waarmee het scheploon genomen werd. De schepper die men in l 415 gebruikte, was een maat die geijkt moest worden. In Q 99* was geen schep aanwezig; de molenaar nam 5 kg per 100. [N O, 38j; Jan 268 add.; Coe 253 add.; Grof 292; monogr.]
II-3
|
| 17829 |
scheppen |
scheppen:
sxøpǝ (L211p Leunen)
|
Maalloon scheppen met behulp van de schep. Het aantal kiloɛs dat per 100 kg mocht worden geschept, is, voorzover opgegeven, achter de betrokken plaatsnummers vermeld. Zie ook het lemma ɛmaalloon, maalgeldɛ. In l 270 was het scheppen tot rond 1910 gebruikelijk.' [N O, 38i; JG 1b; Vds 170; Jan 268; Coe 253; Coe 256; monogr.; A 42A, 48]
II-3
|
| 27015 |
scherp zetten |
scherp zetten:
sxɛ̄rǝp ˲ze̜tǝ (L211p Leunen)
|
Een paard van winterbeslag voorzien. Onder het hoefijzer worden dan al dan niet verwisselbare kalkoenen aangebracht en onder de voorzijde wordt een metalen plaatje bevestigd, de stoot. Zie ook de lemmata ɛijsnagelsɛ, ɛstootɛ enɛkalkoenen, krammenɛ.' [JG 1a; JG 1b; N 100, 17, add.; monogr.]
II-11
|
| 26566 |
scherpen |
scherpen:
scherpen (L211p Leunen)
|
Het maalvlak van molenstenen scherp maken. Door de onduidelijke vraagstelling van vraag N o, 34a (ø̄Hoe noemt u het aanbrengen van groeven in de stenen?ø̄) is een aantal opgaven mogelijk ook van toepassing op het aanbrengen van een geheel nieuw scherpsel op een (nieuwe) molensteen. Zie voor de meer specifieke handelingen bij het scherpen de lemmata ɛuithalenɛ, ɛbreed scherpenɛ, ɛhol scherpenɛ etc.' [N O, 34a; Sche 61; Vds 198; Jan 194; Coe 159; Grof 192; A 42A, 29 add.; N D, 33; N D, add.; monogr.; A 42A, 33 add.]
II-3
|
| 26612 |
scherpmeel |
scherpmeel:
scherpmeel (L211p Leunen)
|
Het met stof vermengde, eerste meel nadat de molenstenen gescherpt zijn. Nadat de blauwe steen gescherpt was, maalde men in l 265 de eerste keer voergraan. Dit gebeurde ook vōōr het malen van boekweit. [N O, 37f]
II-3
|