id | Begrip | Trefwoord: dialectopgave (plaats) | Omschrijving |
---|---|---|---|
25207 | wind (alg.) | waai: waej (Leunen), wind: wiend (Leunen), (verkleinwoord: wiendje; meervoud: wiende). wiend (Leunen) | wind [SGV (1914)] III-4-4 |
29877 | winddroog | winddroog: wint˱drøǝx (Leunen) | Gezegd van metselstenen die aan de oppervlakte droog en inwendig nat zijn. Zie ook de toelichting bij het lemma 'Metselstenen bevochtigen'. [N 31, 13b] II-9 |
25160 | winderig weer | winderig (weer): wiendereg (Leunen), wienderig (Leunen) | koud, nat en winderig || winderig [SGV (1914)] III-4-4 |
25209 | windhoos | windschoer: (dit is een synoniem voor wiendwörvel - zie ook blz. 679). wiendschoēr (Leunen), windwervel: (dit is een synoniem voor wiendscho‰r). wiendwörvel (Leunen) | windhoos III-4-4 |
26064 | windluiken, waterdeuren | weerdeuren: weerdeuren (Leunen) | De luiken in de kap van de molen aan weerszijden van de askop. De luiken kunnen worden verwijderd waardoor de mogelijkheid ontstaat askop en roeden te bereiken voor inspectie en onderhoud. Zie ook afb. 28. [N O, 31a; A 42A, 60] II-3 |
26021 | windpeluw | windpulf: wintpølǝf (Leunen) | De zware balk in het stormeinde waar de halssteen of het metalen lager voor de molenas op bevestigd is. Zie ook afb. 17. [N O, 28c; N O, 28i; A 42A, 5; monogr.] II-3 |
30488 | windroeden | bandgaarden: bant˲gɛrdǝ (Leunen) | Twijgen die men vastbindt op de naden van de dakschilden om het verwaaien van de dakbedekking tegen te gaan. De bandgaarden werden in L 291 vastgebonden met 'wijden' ('wijǝ') of 'witsen' ('wetsǝ'), in K 353 met 'dekbanden' ('dęk˱banǝ'). In K 316 gebruikte men 'dekgaarden' ('d'k˲gšrǝ') om het stro over de hele lengte van het dak vast te leggen. [N F, 10; N 4A, 34d; monogr.] II-9 |
25938 | windstil | bladstil: blatstel (Leunen), windstil: wintstel (Leunen) | [N O, 9a] II-3 |
25208 | windstilte | loerachtig weer: (bijwoordelijke uitdrukking). loēraechteg waer (Leunen) | (wind)stil/triest weer III-4-4 |
18434 | winkelhaak | winkelhaak: weŋkelhǭk (Leunen), winkelhoak (Leunen) | Rechthoekige scheur in een kledingstuk. Een mogelijk verklaring van het woordtype vijf (c.q. fünf) geeft het WNT (XXI, pag. 536 s.v. ɛvijfɛ 4): ø̄Wat den vorm heeft van een cijfer ɛvijfɛ. Gewest. in het Zuiden als ben. voor een winkelhaak (scheur), die aan een Romeinse V doet denkenø̄.' [N 59, 192b; N 62, 43b; N 62, 43c; Gi 1.IV, 11; MW; S 44; monogr.] || winkelhaak [SGV (1914)] II-7, III-1-3 |