| 33727 |
draaihek |
varen:
vǭrǝ (L211p Leunen)
|
Een hek dat op scharnieren of haken draait aan de ingang van een wei, gemaakt van prikkeldraad of houten latten. [N 14, 68a; N M, 5; A 25, 5d; L B 19, 6; monogr.]
I-8
|
| 24311 |
dracht, drachtig zijn |
telling:
telling (L211p Leunen)
|
dracht ve moederdier
III-4-2
|
| 33523 |
draden of randen van peulvruchten |
vamen:
vêêm (L211p Leunen)
|
[N Q (1966)]
I-7
|
| 17806 |
dragen |
dragen:
dra:gə (L211p Leunen)
|
dragen [DC 02 (1932)]
III-1-2
|
| 20233 |
drager van een doodskist |
drager:
draeger (L211p Leunen)
|
drager bij een begrafenis
III-2-2
|
| 20500 |
drank |
drank:
draank (L211p Leunen),
drinkens:
dreenkes (L211p Leunen),
Wij hebbe dreenkes zat: Wij hebben drank genoeg
dreenkes (L211p Leunen),
zatsel:
De zatláp haaj wer n zatsel òp Dn thuusprüver göt zien aege wér n zatsel hale
zatsel (L211p Leunen)
|
drank || drankwaar || hoeveelheid sterke drank, nodig om dronken te kunnen worden
III-2-3
|
| 21153 |
dreef |
dreef:
dreef (L211p Leunen)
|
dreef [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 18877 |
drenzen |
neulen:
näöle (L211p Leunen),
zaniken:
sanike (L211p Leunen),
zanike (L211p Leunen),
zeuren:
sööre (L211p Leunen)
|
drenzen || drenzen: de kinderen drenzen de hele dag [DC 16 (1948)]
III-1-4
|
| 32024 |
drevel, deuvel |
deuvel:
dȳvǝl (L211p Leunen)
|
Rondhouten pen die met lijm in zuiver passende gaten wordt bevestigd. Zie ook afb. 126. De timmerman gebruikt drevels onder meer bij hoekverbindingen en de wagenmaker om segmenten van velgen van karwielen met elkaar te verbinden. Zie voor dit laatste ook het lemma ɛverbindingspennenɛ in Wld I.13, pag. 18. Govie is volgens het Maastrichts woordenboek (pag. 123) de benaming voor een ø̄houten pen ter verbinding van twee plankenø̄.' [N 54, 38a; A 32, 9; monogr.]
II-12
|
| 32061 |
drevelen, deuvelen |
deuvelen:
dȳvǝlǝ (L211p Leunen)
|
Twee houten delen, bijvoorbeeld van een verstek, door middel van drevels met elkaar verbinden. Zie ook het lemma ɛdrevelɛ, ɛdeuvelɛ.' [monogr.]
II-12
|