| 20742 |
gebakje |
taartje:
taartje (L211p Leunen)
|
gebakje
III-2-3
|
| 20683 |
gebakken aardappelen |
panaardappelen:
panaerpel (L211p Leunen)
|
aardappelen in de pan gebakken
III-2-3
|
| 20907 |
gebakken appelschijven |
koekappel:
koēkáppel (L211p Leunen)
|
grote appel, die in schijven gesneden, in een pannekoek gebakken wordt
III-2-3
|
| 30204 |
gebint |
gebint(e):
gǝbint (L211p Leunen)
|
Het geheel van spantbenen, gordingen, kepers etc. waarop de dakbedekking rust. Zie ook afb. 49 en 71. [S 9; N 54, 149a; N 54, 149b; N 54, 151; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 17623 |
gebit |
gebit:
gieəf gebit (L211p Leunen)
|
Een gaaf gebit, het gebit van de oude man is nog heelemaal gaaf. [DC 14 (1946)]
III-1-1
|
| 30037 |
gebluste kalk |
leskalk:
lø̜skalǝk (L211p Leunen)
|
Ongebluste kalk die met water is aangelengd. Zie ook het lemma 'Kalk blussen'. Gebluste kalk wordt gebruikt bij de bereiding van mortel. Woordtypen als 'stubkalk', 'poederkalk', 'poeder' en 'zakjeskalk' verwijzen naar schelpkalk die direct na het branden droog geblust wordt en in poedervorm op de bouwplaats wordt aangeleverd. [N 30, 30a; N 30, 30b; N 30, 30c; N 30, 32f; monogr.]
II-9
|
| 20183 |
geboorte |
aanzet:
aanzet (L211p Leunen),
boogaanzet:
bōx˱ānzęt (L211p Leunen)
|
De plaats waar de boog aan weerszijden tegen de rest van het metselwerk rust. De stenen in de muur moeten hier, om aansluiting te geven, behakt worden. In Q 121 spreekt men dan van 'geschoren stenen' ('jǝšōrǝ štęŋ'). Volgens de invuller uit Q 97 telt een poortboog altijd een oneven aantal stenen. [N 32, 19a; monogr.]
II-9
|
| 19725 |
gebouw |
bouw:
bou̯ (L211p Leunen),
gebouw:
gebow (L211p Leunen),
tempel:
tempel (L211p Leunen, ...
L211p Leunen),
De direkteur wónt ien ennen tempel
tempel (L211p Leunen)
|
gebouw || groot gebouw || grote ruimte || grote woning
III-2-1
|
| 18144 |
gebrekkig |
gebrekkig:
gebrekkig (L211p Leunen)
|
gebrekkig [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 20161 |
gebroeders; niet gebruiken |
gebroers:
ge = betekenis van samen
gebruurs (L211p Leunen)
|
gezamenlijke broers
III-2-2
|