| 31609 |
hoefmes |
kapmes:
kapmęs (P046p Linkhout)
|
Het mesachtige werktuig waarmee de paardenhoef wordt bijgesneden en gereinigd alvorens het nieuwe hoefijzer wordt geplaatst. Zie ook afb. 228. Invullers uit L 165 en L 213 gebruikten een tang om hoorn van de hoef af te knippen. [JG 1a; JG 1b; N 33, 363-365; monogr.; N 33, 181]
II-11
|
| 31615 |
hoefnagels |
hoefnagels:
hufnā.gǝls (P046p Linkhout)
|
De lange nagels waarmee de hoefijzers aan de hoeven bevestigd worden. Een hoefnagel bestaat uit een kop, kling en zwik of punt. Hoefnagels werden vroeger door de smid zelf gesmeed, tegenwoordig worden zij industrieel vervaardigd. Zie ook afb. 232. Franse hoefnagels hebben een vierkante kop in de vorm van twee afgeknotte pyramides die met de basis tegen elkaar liggen. De onderste pyramide gaat bij dit type over in de kling. Engelse hoefnagels, ook ritsnagels genoemd, hebben een kleine, langwerpig vierkante kop waarvan de buitenvlakte schuins naar de kling overgaat, terwijl de binnenvlakte recht of bijna recht is. De kop van de Engelse hoefnagel past in de groef of rits van het ritsijzer. [N 33, 367a; N 33, 367b; JG 1a; JG 1b; monogr.]
II-11
|
| 31178 |
hoefsmid |
smid:
smęt (P046p Linkhout)
|
Smid die hoefijzers smeedt en paarden beslaat. Zie voor de fonetische documentatie van de tussen haakjes geplaatste woorddelen het lemma "smid". [N 33, 2; monogr.; JG 1a; JG 1b]
II-11
|
| 31592 |
hoefstal, noodstal |
hoefstal:
howfstal (P046p Linkhout)
|
Een uit houten planken of metalen buizen vervaardigd gestel dat vóór of in de smidse is opgesteld. Wanneer een paard moet worden beslagen, wordt het in de hoefstal geplaatst. Zie ook afb. 220. [N 33, 6; N 33, 374; S 14; L 1a-m; L 1u, 96; L B2, 278; A 43, 15; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
II-11
|
| 18319 |
hoepelrok |
hoepelrok:
hupəlroͅk (P046p Linkhout),
reeprok:
riproͅk (P046p Linkhout)
|
hoepelrok [reekerok] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18017 |
hoest |
hoest:
hūst (P046p Linkhout)
|
hoest [ZND m]
III-1-2
|
| 33034 |
hoeveelheid halmen voor een halve schoof |
enkel geleg:
enkǝl gelęx (P046p Linkhout),
geleg:
gǝlęx (P046p Linkhout),
half geleg:
halǝf ˲gǝlęx (P046p Linkhout)
|
In het zuiden van Belgisch Limburg waar met de zicht wordt gemaaid kent men het begrip "ongebonden halve graanschoof"; de maaier haalt met één keer inkappen en uitwinnen de hoeveelheid halmen voor een halve schoof bijeen. In de rest van het onderzoeksgebied komt het begrip niet voor. Zie ook de algemene toelichting bij deze paragraaf en kaart 19. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; Goossens 1963, krt. 29; monogr.]
I-4
|
| 18307 |
hoge herenschoen |
hoge mansschoen:
hujə manssxoͅun (P046p Linkhout),
hoge schoen:
hujə sxoͅun (P046p Linkhout)
|
herenschoenen, hoge ~ [N 24 (1964)] || sokschoenen, hogemanschoenen, in de betekenis van soort schoen; betekenis/uitspraak [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 32445 |
hoge klomp |
holle klonk:
hǫlǝ [klonk] (P046p Linkhout),
kapklonk:
kap[klonk] (P046p Linkhout)
|
Klomp met een hoge en lange, tot boven de wreef doorlopende kap. De klompopening sluit bij dit type klompen goed om de voet zodat er geen klompenriem nodig is. Zie ook afb. 259. Het woord(deel) klomp is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛklompɛ. De kapklomp die in en rond Venray (L 210) bekend was, was een luxe hoge klomp die versierd was met koperen spijkers. Hij was volgens het Venrays woordenboek (pag. 227), ondanks de hoge kap toch van een leren band voorzien en werd op zondag gedragen.' [N 24, 70b; monogr.]
II-12
|
| 18376 |
hoge klomp? |
holleklonk:
[Spelling ~ holleblok]
hoͅlə klunk (P046p Linkhout),
kapklonk:
kapklunk (P046p Linkhout)
|
klomp met hoge huif, hoge klomp, zonder riem gedragen [N 24 (1964)]
III-1-3
|