| 18961 |
rechtvaardig |
rechtvaardig:
rächfjärəch (K278p Lommel)
|
rechtvaardig
III-1-4
|
| 28488 |
redcel |
redcel:
redcel (K278p Lommel)
|
Gewone werkbijcel die ontwikkeld wordt tot koninginnecel of moerdop, als het bijenvolk moerloos is geworden of dreigt te worden. Deze redcel of nooddop wordt midden op de raat gebouwd. [N 63, 26b; Ge 37, 50]
II-6
|
| 19128 |
redeneren |
raisonneren:
fr. raisonner
rezəneiərən (K278p Lommel)
|
redeneren
III-1-4
|
| 20961 |
reep |
reepje:
repkə šøʔəlat (K278p Lommel)
|
reepje chocolade
III-2-3
|
| 32868 |
reepje overschietend gras |
zwade-/zwaaibalk:
zwɛi̯balk (K278p Lommel)
|
Soms blijft er bij het maaien een reepje gras staan omdat men de slag met de zeis iets te ver neemt. De zegslieden hebben dit verschijnsel zowel door een zelfstandig naamwoord (zoals zwaaibalk of baard) benoemd, als ook door een werkwoordelijke uitdrukking, waarin een dergelijk zelfstandig naamwoord voorkomt (zoals een baard maaien of een baard laten staan), en tenslotte ook door een op zichzelf staand werkwoord of werkwoordelijke uitdrukking (zoals te breed pakken of te wijd grijpen). Al deze opgaven zijn in dit lemma ondergebracht. [N 14, 96]
I-3
|
| 22810 |
refrein |
refrein:
refrejen (K278p Lommel)
|
Een refrein (het steeds terugkerende gedeelte van een lied). [ZND 41 (1943)]
III-3-2
|
| 30179 |
regels |
dwarsbalken:
dwars˱balǝʔǝ (K278p Lommel)
|
De horizontale balkjes die tussen de stijlen bevestigd worden. Zie ook afb. 47. De horizontale balk die de hele muurbreedte overspande, werd in Q 97 de 'kettingbalk' ('kęteŋbalǝk') genoemd. De balken werden met behulp van een pen/gat-verbinding aan elkaar bevestigd. De pen noemde men 'kijl' ('kīl'), het aan elkaar bevestigen van de balken 'angen' ('aŋǝ'). Bij de bovengenoemde houtverbinding bedroeg de doorsnede van het gat altijd het derde deel van de totale breedte van de balk. [N 4A, 52b; N 31, 45 add.; monogr.; div.; Vld]
II-9
|
| 25171 |
regen (alg.) |
regen:
den règen (K278p Lommel),
reͅgəlt (K278p Lommel),
rägən (K278p Lommel),
rögəl (K278p Lommel)
|
regen [ZND 23 (1937)] || regen in het algemeen [rengel, majem] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25181 |
regenboog |
regenboog:
rägənbōx (K278p Lommel),
rögənbòg (K278p Lommel)
|
regenboog [weerteken] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25238 |
regenbuitje |
bui:
bøi (K278p Lommel),
bøͅiə (K278p Lommel),
mals buitje:
màls bøͅyʔən (K278p Lommel)
|
licht regenbuitje [smeer, bui, stoes, getsbui, bies, zauwke] [N 22 (1963)]
III-4-4
|