| 34390 |
vrouwelijk schaap in het algemeen |
schaap:
sxāp (L248p Lottum),
sxǭp (L248p Lottum)
|
De benamingen voor "vrouwelijk schaap" beantwoorden vooral aan de drie woordtypen ooi/ooitje, germ/germpje en het algemene woord schaap. Ten aanzien van het woordtype germ kan men opmerken dat het woord in nogal wat plaatsen kan duiden op het vrouwelijk schaap dat nog niet gelamd heeft. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; R 3, 35; A 4, 22b; AGV, m3; L 1a-m; L 5, 30a; L 29, 32; L 20, 22b; L B2, 318; monogr.; S 23, Q 113 add.]
I-12
|
| 34308 |
vrouwelijk varken |
zog:
zox (L248p Lottum),
zoog:
zōx (L248p Lottum)
|
Vrouwelijk varken. Ten aanzien van gelt wordt opgemerkt dat het synoniem is met zeug (L 416), dat het een vrouwelijk, niet gedreven varken is (L 312, 353), dat het een vrouwelijk varken is dat niet dient voor de kweek (L 282, 286, 313, 315, 316, 354, 355, 356) of juist wel voor de kweek is bestemd (K 278). Verder kan het een oud woord zijn voor de zeug (L 354, 355) en kan het op een gesneden, vrouwelijk varken duiden (L 312). Oorspronkelijk duidde gelt op het gecastreerde vrouwelijk varken. In de loop van deze eeuw is men gelt ook gaan gebruiken voor het vrouwelijk varken. [L 20, 4a; L 14, 13; L 3, 2a; JG 1a, 1b, 1c, 1d, 2c; A 4, 4c; Wi 9; NE 1, 12; NE 2.I.8; AGV K1; R XII, 46; Gwn 5, 11; N M, 22 add.; N C, add.; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 21920 |
vrouwelijke duif |
duif:
dooͅeoͅf (L248p Lottum)
|
Wijfjesduif. [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 34543 |
vrouwelijke eend |
eend:
ē̜nt (L248p Lottum)
|
[L 1a-m; JG 1a, 1b; S 18; A 6, add.]
I-12
|
| 34550 |
vrouwelijke gans |
gans:
gans (L248p Lottum),
gau̯s (L248p Lottum)
|
[A 6, 5b; L 1a-m; JG 1a, 1b; S 9; monogr.]
I-12
|
| 34473 |
vrouwelijke kip |
hen:
hęn (L248p Lottum)
|
De hen is het wijfje van het tamme huishoen. [N 19, 37; Wi 13; Wi 14; Wi 17; NE II, 10; Gwn 5, 14; A 11, 1c; A6, 1b; L 6, 20a; L 22, 22; L 28, 35; L 42, 5; L 33, 20; L 34, 12; L 34, 13; JG 1a, 1b; S 14; L 1a-m; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 32616 |
vulopening |
bomgat:
bomgat (L248p Lottum),
vulgat:
vølgat (L248p Lottum)
|
De opening in de buik van de houten gierton, waardoor de opgeputte gier via een trechter in de ton werd gegoten. Van de onderstaande termen, die geen van alle specifiek zijn voor de vulopening van de oude gierton, zijn bomgat, spongat e.d. op één der openingen van houten tonnen in het algemeen van toepassing. [JG 1b add.; N 11A, 53b; monogr.]
I-1
|
| 25125 |
waaienx |
waaien:
wejje (L248p Lottum),
’t wejde (L248p Lottum)
|
het waaide [SGV (1914)] || waaien [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 21457 |
waarschuwen |
waarschuwen:
waarschouwe (L248p Lottum, ...
L248p Lottum)
|
waarschuwen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 20740 |
wafel |
wafel:
waffel (L248p Lottum),
waffele (L248p Lottum)
|
wafel [SGV (1914)] || wafels [SGV (1914)]
III-2-3
|