| 30231 |
muurdam, penant |
pilaster:
pelástǝr (L316a Lozen),
steun:
stø̜̄n (L316a Lozen)
|
Betrekkelijk smal stuk muur tussen twee vensters of tussen een venster en een andere muur. [N 55, 75; N 32, 12b; N 32, 14; monogr.]
II-9
|
| 30145 |
muurvlechting |
muurvlechting:
mōǝrflɛxteŋ (L316a Lozen)
|
Wigvormig muurdeel waarvan de steenlagen loodrecht op de helling van de muurlijn staan. De lagen van de muurvlechting lopen alle tot een zelfde lintvoeg door. Kleine muurvlechtingen worden uitgevoerd in staand verband, grotere in kruisverband. Zie ook afb. 42. [N 31, 29]
II-9
|
| 18184 |
naakt |
bloot:
blūət (L316a Lozen)
|
bloot [ZND A2 (1940sq)]
III-1-3
|
| 34013 |
naar links |
haar:
hɛ̄r (L316a Lozen)
|
Voermansroep om het paard naar links te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95 c, 95d en 96; L 1 a-m; L B 2, 255; L 26, 2; L 36, 81c; S 12; monogr.]
I-10
|
| 34014 |
naar rechts |
hut:
hyt (L316a Lozen),
hut-om:
hyt ǫm (L316a Lozen)
|
Voermansroep om het paard naar rechts te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95a en 96; L 1 a-m; L B 2, 256; L 26, 2; L 36, 81d; S 12; monogr.]
I-10
|
| 17842 |
nachtmerrie |
droom:
droum (L316a Lozen)
|
nachtmerrie [ZND B1 (1940sq)]
III-1-2
|
| 17770 |
nagel |
nagel:
nagel (L316a Lozen),
nagəl (L316a Lozen)
|
een nagel [ZND A1 (1940sq)] || een nagel, (nagels) [ZND A2 (1940sq)]
III-1-1
|
| 32955 |
nagras, tweede hooioogst |
achtermaad:
axtǝrmōt (L316a Lozen),
groe(n)maad:
grumǝnt (L316a Lozen)
|
De opbrengst van de tweede maal dat er gehooid wordt, doorgaans eind augustus; zie de algemene toelichting bij deze paragraaf (''nagras''). [N 14, 128b, JG 1a, 1b en 2b; A 4, 26a; A GV, 2Gr.; L B2, 345; L 5, 8; L 14, 15; Gwn 7, 10; Wi 58; S 25; monogr.]
I-3
|
| 17766 |
navel |
navel:
navəl (L316a Lozen, ...
L316a Lozen)
|
navel [ZND B1 (1940sq)]
III-1-1
|
| 24347 |
neet, luizenei |
luizenei:
luzən-eͅ (L316a Lozen)
|
neet, luize-ei [ZND A1 (1940sq)]
III-4-2
|