| 21596 |
loop van een geweer |
loop:
de loep vanə gəwɛər (P051p Lummen)
|
De loop van een geweer [ZND 30 (1939)]
III-3-1
|
| 20132 |
loops |
heet:
hit (P051p Lummen)
|
loops, geslachtsdriftig ve teef [N 19 (1963)]
III-2-1
|
| 26067 |
loopstaken |
lopers:
lōǝpǝrs (P051p Lummen)
|
De twee schuine balken aan weerszijden van het uiteinde van de staart van de standerdmolen. Zie ook afb. 21. [N O, 48d; A 42A, 101]
II-3
|
| 24678 |
loot, nieuw uitgelopen twijgje |
scheut:
scheut (P051p Lummen)
|
loot [ZND 01 (1922)]
III-4-3
|
| 17817 |
lopen |
lopen:
lupǝ (P051p Lummen),
lupə (P051p Lummen)
|
lopen [ZND 25 (1937)] || Uit de gevraagde toelichting en bij vraag N 8, 82 blijkt dat gaan de betekenis van "stappen", "stapvoets gaan" heeft, lopen die van "snel lopen" of "draven". [JG, 1b; N 8, 81a en 82]
I-9, III-1-2
|
| 19500 |
loper |
draaiende steen:
draaiende steen (P051p Lummen),
draaier:
drɛǝr (P051p Lummen),
loper:
lupǝr (P051p Lummen)
|
De bovenste, draaiende molensteen. De loper had in Q 99 drie soorten kerven, de ligger daarentegen maar één. Zie ook het lemma ɛscherpselɛ.' [N O, 17c; A 42A, 31; N D, 7; Sche 47; Vds 85; Jan 121; Coe 98; Grof 117; monogr.]
II-3
|
| 26596 |
los draaien |
los draaien:
los draaien (P051p Lummen),
los lopen:
lǫs lupǝ (P051p Lummen)
|
De molen laten draaien zonder dat de stenen werken. Met betrekking tot het woordtype voor de prins draaien (l 265) merkt Wiessner (pag. 94) op: ø̄Deze uitdrukking schijnt afkomstig te zijn uit de tijd van de vele belegeringen en uithongeringen van steden. Men liet dan de molen zonder de stenen draaien, daarmede de schijn ophoudend nog eten genoeg te hebben.ø̄ [N O, 13h]
II-3
|
| 18697 |
losse linnen halsboord |
halsboord:
halsboord (P051p Lummen)
|
halsboord, losse linnen ~ [beurdje, hemdsband] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33395 |
losse voerbak in de varkenswei |
trog:
[trog] (P051p Lummen)
|
Gewoonlijk worden de varkens binnen gevoerd. Soms echter gebruikte men een losse voerbak voor buiten, in de varkenswei; over deze laatste bak gaat het in dit lemma. Zie voor de fonetische documentatie van (trog) het lemma "varkenstrog" (2.4.3). [N 5A, 61b]
I-6
|
| 33365 |
losse voerbak voor runderen |
koeienkuip:
kø̜u̯kuǝp (P051p Lummen),
krib:
krep (P051p Lummen),
trog:
trōx (P051p Lummen)
|
Een losse bak of kuip waarin men het voer aan de koeien voorzet. Bedoeld wordt een bak waar meer dan één rund uit eet (en soms ook drinkt). Waar deze draagbare en ouderwetse bak niet (meer) bekend is, werden benamingen voor de vaste voerbak opgegeven (krib, trog en hun samenstellingen). Oorspronkelijk diende de krib voor het droge voedsel voor runderen en paarden en de trog voor het natte voedsel voor de varkens, maar in de praktijk lopen de termen dooreen. Sommige opgaven betreffen mogelijk ook het vak voor één koe van de in vakken verdeelde voerbak. Vergelijk de lemmata "voer- en drinkgoot" (2.2.14) en "vaste voer- en drink- en voerbak, krib" (2.2.15). [N 5A, 37c; N 18, 130; monogr.]
I-6
|