| 24352 |
mier |
brag:
ook in ZND 08, 152a
bragə (P051p Lummen),
mierzeik:
ook in ZND 08, 152a
mīrzē.kə (P051p Lummen),
muurzeik:
muijer-zēͅk (P051p Lummen),
møͅu̯ərzēk (P051p Lummen)
|
mier [ZND 01 (1922)] || mier [zeikdemp(el), -lem, -meik, -diem, -worm, -mier, moer-, muurzeiker, aomzeiksel, aomezeik] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 24423 |
mierenei |
braggenei:
braggeëer (P051p Lummen)
|
mierenei [zeekmoejerseike] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 24424 |
mierenhoop |
braggennest:
braggenest (P051p Lummen),
mierenhoop:
mi|rəhup (P051p Lummen)
|
mierennest [zeekmoejersnest] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 33094 |
mijt afdekken |
dekken:
dękǝ (P051p Lummen)
|
De korenmijt van een dak voorzien. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Bij besteken merkt Goossens in zijn materiaal op: "meer speciaal de grote band om de kop". [N 15, 45a; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
I-4
|
| 21745 |
mikken |
mikken:
mekə (P051p Lummen),
mikken (P051p Lummen)
|
lonken (mikken) [RND] || Op iemand mikken (om met een boog of geweer te schieten). [ZND 38 (1942)]
III-3-2
|
| 34112 |
miltkuilen |
miltkuilen:
meltkǫu̯lǝ (P051p Lummen)
|
Holten in het lijf van een niet fraai gebouwde koe. [N 3A, 146; monogr.]
I-11
|
| 34201 |
miltvuur |
miltvuur:
meltvøi̯ǝr (P051p Lummen),
vuur:
fø̜u̯ǝr (P051p Lummen)
|
Miltvuur is een bodemziekte. De smetstof blijft in de vorm van sporen jarenlang buiten het lichaam in de grond levensvatbaar. Door graven, door verschil in waterstand, misschien ook door mollen en regenwormen komen de sporen naar boven. Als het vee ze opneemt met het voedsel of binnenkrijgt door wonden, groeien ze in het lichaam uit en verspreiden zich met het bloed naar alle organen. Deze dodelijke ziekte heeft een snel verloop. Soms sterven de dieren zonder dat er voorafgaande verschijnselen konden worden opgemerkt ineens onder krampachtige stuipen. Meestal worden ze vrij plotseling hevig ziek met hoge koorts en verschijnselen van pijn en zijn ze binnen 24 uur dood. Bloedige uitvloeiingen uit neus, mond, aars en kling komen veel voor, vooral na de dood. De slijmvliezen zijn hoog roodblauw gekleurd (Berns 1983, blz. 141). Zie ook het lemma ''miltvuur'' in wbd I.3, blz. 475-476. [N 3A, 87; A 48A, 22; monogr.]
I-11
|
| 20406 |
minderjarig |
minderjarig:
znd 31, 23a
minnerjôerig (P051p Lummen)
|
minderjarig [ZND 31 (1939)]
III-2-2
|
| 23271 |
misdienaar |
misdienaar:
mesdeeiner (P051p Lummen)
|
Hoe heet de jongen die de mis dient? [ZND 36 (1941)]
III-3-3
|
| 18141 |
mismaakt |
mismaakt:
mismaakt (P051p Lummen)
|
het kind is mismaakt [ZND 31 (1939)]
III-1-2
|