| 32882 |
rug van het blad van de zeis |
rug:
røx (P051p Lummen)
|
De opstaande stevige rand aan de buitenzijde van het blad van de zeis. Zie afbeelding 5, nummer 5. [N 18, 68e; JG 1a, 1b]
I-3
|
| 33974 |
rugriem |
rugriem:
rugriem (P051p Lummen)
|
Riem die een paard dat niet tussen berries is ingespannen op de rug draagt om de strengen op te houden. De rugriem wordt ook gebruikt bij het voorste van twee ingespannen paarden. [JG 1b, 1c, 1d; N 13, 69]
I-10
|
| 33367 |
ruif voor de koeien |
hooireep:
hǫi̯rīp (P051p Lummen),
reep:
rīp (P051p Lummen)
|
Naar aanleiding van de vraag naar de "verstelbare voerluiken" (2.2.20) werden ook benamingen voor een ruif gegeven. Een ruif met hooi voor de koeien kwam in de oude potstaal nog vaak voor (zie de foto van afbeelding 7 bij het lemma "potstal" (2.2.2), afb. 7); in de stallen met een koeienstand vindt men deze niet meer. Vaak is er alleen in de paardestal een ruif; zie het lemma en de kaart "paarderuif" (2.3.2). [N 5A, 37d]
I-6
|
| 32578 |
ruige mest |
vers mest:
vers mest (P051p Lummen)
|
Ruige mest is mest die pas uit de stal is gekomen en daarom nog onverteerd stro bevat. Deze mest vormt aanvankelijk de boven- of buitenlaag van de mesthoop, die o.i.v. zon en wind gemakkelijk verdroogt. Hij heeft daarom ook (nog) niet de kwaliteit van de in het vorige lemma bedoelde mest, die langer en dieper in de mesthoop heeft gezeten. De plaatselijke varianten van [mest [N M, 10b; N 11, 27 add.; N 11A, 4b; JG 1a + 1b add.; div.]
I-1
|
| 17737 |
ruiken |
rieken:
rekkə (P051p Lummen)
|
rieken [ZND 25 (1937)]
III-1-1
|
| 33435 |
ruimte waar men stro hakselt en bewaart |
stroschop:
strǭi̯sxǫp (P051p Lummen)
|
Het stro dat als veevoer wordt gebruikt, wordt gehakseld (in stukken gesneden) en bewaard in een speciaal daartoe ingerichte "hakselbewaarplaats", of ergens waar toevallig plaats is (meestal in de schuur). Zie ook aflevering I.4, paragraaf 6.4 (blz. 149) over het snijden van het stro. Een aantal benamingen betreft niet de ruimte in de zin van een vertrek, maar een kist, bak of ton waarin het stro gehakseld dan wel het haksel bewaard wordt. De bewerkingen, hakselen, snijden en bewaren, worden in het lemma weerspiegeld. Opgaven als "in de schuur" of "in het kafhuis" zijn hier niet gehonoreerd. [N 5A, 72a en 72b; div.; monogr.]
I-6
|
| 33750 |
ruin |
ruin:
rø̜i̯n (P051p Lummen)
|
Gecastreerde hengst. Als de veulens één à twee jaar zijn en de ballen voldoende gezakt en zichtbaar in de balzak zijn, worden zij gecastreerd. Een hengst van drie tot vijf jaar die om de een of andere reden op deze leeftijd nog gecastreerd wordt, wordt meestal gesneden hengst en niet ruin genoemd. [JG 1a, 1b; A 4, 2c; L 20, 2c; L 39, 43; N 8, 20 en 38; S 27; monogr.]
I-9
|
| 26259 |
ruiter |
haak:
hōǝk, hǫǝk (P051p Lummen),
pranghaak:
praŋhǫǝk (P051p Lummen)
|
De haak of beugel waarmee de kop van de vangplank of het sleepstuk aan de daklijst of aan een speciale balk vastligt. [N O, 12e]
II-3
|
| 25148 |
rukwind |
strovenwind:
strūǝvǝwint (P051p Lummen),
wind bet horten:
went˱ bɛ hǫrtǝ (P051p Lummen)
|
Een ongelijke, stotende wind. [N O, 9e]
II-3
|
| 24326 |
runderhorzel, horzel |
hommeltje:
zwart-bruin, komt omhoog
høməlkə (P051p Lummen),
horzel:
hō.səl (P051p Lummen),
hoͅrəl (P051p Lummen),
zzz (onduidelijk):
pənsōͅəts (P051p Lummen)
|
horzel [ZND 01 (1922)], [ZND 27 (1938)] || insect III [Goossens 1b (1960)] || worm vdit laatste insect [Goossens 1b (1960)]
III-4-2
|