| 21143 |
sjees |
sjees:
šēs (P051p Lummen)
|
Licht en hoog tweewielig rijtuigje voor twee personen met een verstelbare kap. Er is geen aparte bok voor de koetsier. De sjees was voor rijke boeren vaak het voertuig waarmee ze onder meer naar de kerk of naar de stad gingen. De sjees is het bekendste tweewielige rijtuig, vandaar dat de benaming "sjees" ook wel vermeld werd als naam voor het tweewielig rijtuig in het algemeen. [N 17, 5; N 101, 1, 3, 4, 8, 15; N G, 51; L 1a-m; L 36, 70; S 18, 30; monogr]
I-13
|
| 18686 |
sjerp |
sjaal:
sjal (P051p Lummen)
|
sjerp, brede sierband met strik, gedragen om het middel of over een schouder [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33550 |
sla, algemeen |
salade:
slōͅt (P051p Lummen)
|
[Goossens 1b (1960)]
I-7
|
| 17870 |
slaan |
slaan:
zwart in blō gəslāgə (P051p Lummen),
gehouwen wordt minder gebruikt
zwat in blō gəslāgə (P051p Lummen)
|
bont en blauw geslagen [RND]
III-1-2
|
| 18596 |
slaapmuts |
slaapmuts:
slōpmøͅts (P051p Lummen),
slujpmuts (P051p Lummen)
|
slaapmuts [pietermöts [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 33390 |
slaapplaats van de knecht bij het vee |
knechtekamer:
knɛxtǝkāmǝr (P051p Lummen)
|
De ruimte in de paarde- of, zij het minder gebruikelijk, koestal waar de knecht slaapt. Een aantal benamingen betreffen meer het bed van de knecht dan de ruimte waar dat bed staat. Enkele benamingen verwijzen naar een hoger gelegen ruimte of naar de zolder boven de paarde- of koestal waar de knecht dan slaapt. [N 5A, 13b, 34e, en 59f; A 7, 32; R 3, 59; monogr.]
I-6
|
| 20303 |
slabbetje, spuugdoekje |
neusdoekje:
nøͅzingskə (P051p Lummen),
tipdoek:
tupdək (P051p Lummen),
zeverlap:
zieverlap (P051p Lummen),
zivərlap (P051p Lummen)
|
doek, witte ~ die men het kind als een schortje voor de borst speldt [speet, spit] [N 25 (1964)] || slabje, morsdoekje voor kinderen [slabbertje, slabberlepke, zeiverlepke, slepke, bavet(sje) [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 25407 |
slachtbrug |
loopbrug:
lupbrøx (P051p Lummen)
|
De houten brug waarin het rund verder ver-werkt wordt. Vaak is dit een constructie van twee lange balken die - met inachtneming van enige onderlinge tussenruimte - door twee dwarsbalken zijn verbonden. In de zo tot stand gekomen rechthoekige ruimte past de rug van het dier: opzij vallen is door de steunende werking van de balken niet mogelijk. Ook andere middelen worden wel gebruikt om dit te bereiken: Zie afb. 7. [N 28, 39; monogr.]
II-1
|
| 25342 |
slachten |
slachten:
sláxtǝ (P051p Lummen)
|
Doden van vee met de bedoeling het als voedsel te gebruiken. Wat het woordtype "dooddoen" betreft, merken verschillende informanten (in K 353, P 50, P 177, P 179, P 180, P 185) op, dat het verouderd is. [JG 1a + 1b + 2c: R 14, 231 add.; S 33; monogr.]
II-1
|
| 25426 |
slachthout |
klomp:
klomp (P051p Lummen),
leerhout:
līrhōt (P051p Lummen)
|
Het stuk hout waaraan het geslachte dier ter verdere verwerking wordt opgehangen. De semantische overeenkomst met "spanhout" is vrij groot, omdat het spanhout en het slachthout tegelijk de functie kunnen hebben het "dichtklappen" van het dier te voorkomen. Toch zijn beide begrippen in twee aparte lemmata verwerkt. Zie ook het lemma ''spanhout''. [N 28, 64; N 28, 66; N 5aII, 62b]
II-1
|