| 22321 |
baantje glijden op het ijs |
keien:
(ei-klank als in het engelse to die).
keie (Q016p Lutterade),
slidderen:
sjliddere (Q016p Lutterade),
slieren:
schleere (Q016p Lutterade),
sjleere (Q016p Lutterade),
sjlere (Q016p Lutterade)
|
glijden [SGV (1914)] || Glijden over sneeuw of ijs. [N 38 (1971)] || Glijden: zich langs en oppervlak gemakkelijk, met zeer weinig wrijving voortbewegen (glijden, slibberen, glissen, schuiven, slifferen, slipperen, schampen). [N 84 (1981)]
III-3-2
|
| 17720 |
baarmoeder |
baarmoeder:
baarmoader (Q016p Lutterade)
|
baarmoeder [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 20551 |
babbelaar |
babbelaar:
babbelaer (Q016p Lutterade)
|
babbelaar; Hoe noemt U: Een balletje van suiker of stroop (babbelder, babbelaar, brok, babbel(tje), suikerbal, sabbelder, ababol, rababbel, kussentje, spekje, steek, kokinje, babbelut) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 27246 |
badknecht |
kiebelmajoor:
kibǝlmajōr (Q016p Lutterade
[(Maurits)]
[Emma, Hendrik, Wilhelmina])
|
Man die het badlokaal, eventueel ook het kleedlokaal, schoonhoudt. Volgens Lochtman (pag. 166) was het op de Domaniale mijn gebruikelijk in het kleedlokaal van "kouwewärter" te spreken en in het badlokaal van "badknecht". [N 95, 126; monogr.]
II-5
|
| 21163 |
bagagewagen |
achterbak:
achterbak (Q016p Lutterade),
bak:
bak (Q016p Lutterade)
|
een bagagewagen bij een trein [fourgon, bak] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21185 |
baggermolen |
baggermolen:
baggermeule (Q016p Lutterade)
|
een baggermolen die zand opzuigt en door een buis ver weg perst (opper, zandzuiger, zuiger) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 34257 |
bak om boter in te kneden |
botterkom:
[botter]kǫmp (Q016p Lutterade)
|
Kneedbak die schuin werd geplaatst om de melk uit de geknede boter te laten vloeien. Zie voor de fonetische documentatie van (boter) en (botter) het lemma ''boter'' (12.14) in deze aflevering. [N 12, 51, 59 en 61; JG 1a, 1b; A 7, 22; Ge 22, 15, 72 en 73; L 27, 67 en 68; monogr.; N 5A (I]
I-11
|
| 21189 |
baken |
flik:
[vgl. Q 030: vlik]
flik (Q016p Lutterade)
|
baken [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 20585 |
bakken |
bakken:
bakke (Q016p Lutterade),
braden:
de j niet uitspreken
braoje (Q016p Lutterade)
|
bakken [SGV (1914)] || bakken; Hoe noemt U: Spijzen met boter of vet bereiden (kuinen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 25546 |
baktrog |
moelde:
mōlj (Q016p Lutterade)
|
De kuip waarin de eerste bewerking van het deeg plaatsvindt. "In zijn eenvoudigste gedaante is het een rechthoekige, langwerpige bak, de bodem smaller dan de bovenopening" (Weyns blz. 28). De baktrog is ofwel van eik ofwel van wit hout vervaardigd. Sommige troggen hebben onderaan een schuif om zuurdeeg en zeef in te leggen (Weyns blz. 29). Als hij klein is en goed hanteerbaar, wordt de trog niet noodzakelijk op een vaste voet gezet. Is hij heel groot dan kan hij op een paar lage houtblokken worden gelegd. Meestal is hij geplaatst tussen twee steunen in de vorm van een letter H, waarvan de naar buiten uitwijkende bovenste benen de bak omvatten (Weyns blz. 28). In dit lemma zijn ook benamingen die de boer voor zijn baktrog heeft, opgenomen: Zie afb. 17. [(N 29, 20a; N 29, 18a; N 18, add.; N 5A(I), add.; S 2; R 3, 50; L 1a-m; L 16, 8; L 19A, 21; L 48, 23; A 26, 10; Lu 4, 10; Lu 2, 23; monogr.; LB 2, 237)]
II-1
|